Belastingen op vertoningen bekrachtigd door Grondwettelijk Hof

De gemeenten mogen belastingen heffen op evenementen en vertoningen.

In een arrest van 16 februari 2012 stelt het Grondwettelijk Hof dat de gemeenten, zonder de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie noch artikel 464 van het WIB 1992 te schenden, belastingen mogen heffen op evenementen en vertoningen, berekend op basis van de bruto-ontvangsten van de exploitant. 

“ (...) artikel 464, 1°, van het WIB 1992 (...) verbiedt hun niet, noch ten aanzien van vertoningen en vermakelijkheden, noch ten aanzien van andere activiteiten, een belasting te heffen op de bruto-ontvangsten van entreegelden of op de bruto-inkomsten.”

Context


Gemeenten heffen belastingen op vertoningen, die vaak berekend zijn op basis van de bruto-ontvangsten. Sommige belastingreglementen voorzien in een vaste belasting per aantal verkochte tickets of plaatsen, andere leggen de belasting vast op een percentage van de bruto-ontvangsten (exclusief btw) die de activiteit oplevert.

Dan rijst de vraag in welke mate de gemeente een gelijkaardige belasting aan de inkomstenbelasting heft, hetgeen verboden is.

De beslissing van het Grondwettelijk Hof


Als antwoord op de prejudiciële vraag stelt het Grondwettelijk Hof een interpretatie voor van artikel 464, 1° van het WIB 1992, in combinatie met artikel 36 van de wet van 24 december 1948 betreffende de gemeentelijke en provinciale financiën, ter staving van de houding van de gemeenten ten aanzien van deze voorheen verboden "aanvullende" belasting.

  • Als de fiscale autonomie van de gemeenten door de federale wetgever beperkt moet worden, moeten 2 voorwaarden tegelijk vervuld zijn:

  • Er moet aangetoond worden dat de bevoegdheid van de gemeente om belastingen te heffen, beperkt moet worden.
  • Zelfs in dat geval zou de op die manier goedgekeurde federale wet strikt geïnterpreteerd moeten worden.
  • De bevoegdheid van de gemeente inzake vertoningen vloeit voort uit artikel 36 van de wet van 24 december 1948, krachtens hetwelk de federale overheid afstand doet van haar bevoegdheid terzake, ten voordele van de gemeenten.

  • De bruto-ontvangsten zijn een essentieel element om de grondslag van de belasting te bepalen. Maar de belasting die de exploitant van een vertoning moet betalen, kan niet alleen berekend worden op basis van de ontvangsten die de vertoning oplevert. Het verbod om een aanvullende belasting te heffen op “de grondslag of op het bedrag van deze [inkomsten]belastingen” is dus niet van toepassing op belastingen op basis van de ontvangsten of entreegelden.

Referenties

 

  • Grondwettelijk Hof, 16 februari 2012, Inforum nr. 263712
  • Ter herinnering: Artikel 36 van de wet van 24 december 1948 betreffende de gemeentelijke en provinciale financiën luidt als volgt: "Worden opgeheven (...) 2. De ten behoeve van het Rijk geheven belastingen op: a) De vertoningen en vermakelijkheden; (...) De provinciale en gemeentelijke belastingen op de vertoningen en vermakelijkheden mogen geen toepassing vinden op de vertoningen gegeven in de schouwburgzalen en in te delen in een der volgende categorieën: treurspel, opera, opera comique, operette, blijspel, vaudeville, folkloristische klucht, drama, begin-, eindeseizoenrevue of eindejaarsrevue door de vast verbonden gezelschappen."
« Terug

Auteur

Boryana RUSLANOVA NIKOLOVA
Publicatiedatum
16-04-2012
Algemene voorwaarden | RSS | Nuttige links