Aanslagbiljet - arrest van het Grondwettelijk Hof ivm bezwaartermijn

Wij adviseren de belastingreglementen aan te passen.

Het arrest nr. 162/007 van het Grondwettelijk Hof van 19.12.2007 zegt terecht dat artikel 371 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 in strijd is met artikel 10 en 11 van de Grondwet, omdat het stelt dat de bezwaartermijn loopt vanaf de datum van de verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat.

Artikel 371 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen luidt als volgt: "De bezwaarschriften moeten worden gemotiveerd en op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van zes maanden vanaf de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat of van de kennisgeving van de aanslag of vanaf de datum van de inning van de belastingen op een andere wijze dan per kohier."
Deze bepaling wordt van toepassing gemaakt op de bezwaarprocedure voor het College van Burgemeester en Schepenen door artikel 12 van de wet van 24.12.1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen.

Het Hof beschouwt dat de keuze van de verzenddatum van het aanslagbiljet of van de kennisgeving van de aanslag als begindatum van de bezwaartermijn een gedisproportioneerde beperking oplegt voor het recht op verdediging van de bestemmelingen, aangezien de bezwaartermijnen beginnen te lopen vanaf het moment dat deze laatste kennis kunnen krijgen van de inhoud van het aanslagbiljet of de kennisgeving van de aanslag.

Het Hof is van oordeel dat de dag waarop de bestemmeling redelijkerwijs kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van het aanslagbiljet of de kennisgeving van de aanslag, de derde werkdag zou moeten zijn nadat het aanslagbiljet of de kennisgeving van de aanslag aan de post overgemaakt werd, behoudens tegenstrijdig bewijs van de bestemmeling.

Het arrest werd geveld op prejudiciële vragen, wat inhoudt dat artikel 371 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen niet het voorwerp uitmaakt van een vernietiging maar de rechtbank die de prejudiciële vraag gesteld heeft - alsook iedere andere jurisdictie die in dezelfde zaak een uitspraak moet doen - zich voor de oplossing van het geschil waarin de vragen gesteld werden, moeten schikken naar het arrest van het Grondwettelijk Hof.

We moeten daaraan toevoegen dat een rechter die een oordeel moet vellen over een andere zaak, geen vraag meer moet stellen met hetzelfde voorwerp als die waarop het Grondwettelijk Hof geantwoord heeft, wat sommigen doet zeggen dat het arrest op een prejudiciële vraag de facto het effect van een vernietigingsarrest heeft.

Op basis van de voorgaande overwegingen, ook al heeft arrest nr. 162/2007 volgens ons enkel betrekking op de vraag van de ontvankelijkheid van het bezwaar zonder de belasting zelf in vraag te stellen, kunnen wij adviseren de belastingreglementen aan te passen om te bepalen dat de bezwaartermijn begint te lopen drie werkdagen na de verzending van het aanslagbiljet.


Juridische bepalingen


Arrest nr. 162/007 van het Grondwettelijk Hof van 19.12.2007 - De prejudiciële vragen betr. art. 371 WIB 92
« Terug

Auteur

Benoît MARCQ
Publicatiedatum
13-03-2008
Algemene voorwaarden | RSS | Nuttige links