Titel III : Het personeel ( art. 143 tot 169)

I - Algemene bepalingen
II - Administratief statuut en bezoldigingsregeling
III - Benoeming
IV - Tucht van het onderwijzend personeel
IVbis - Verbodsbepalingen
V - Het personeel van de burgerlijke stand
VI - Pensioenen



Hoofdstuk I. - Algemene bepalingen



Art. 143. - [De hoofdstukken II tot IV en hoofdstuk VI van deze titel zijn toepasselijk op het personeel bedoeld in art. 17 van de Grondwet, in zover de wetten, de decreten, de verordeningen en de besluiten op het onderwijs hiervan niet afwijken (W. 21.3.1991, B.S. 13.4.1991)].

[(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].
*** Art. 17 van de Grondwet is art. 24 van de Gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 geworden ***

Art. 144. - [De algemene bepalingen, door de Koning vast te stellen [(…) (W. 7.12.1998, B.S. 5.1.1999)] krachtens art. 9, par. 1, 2e lid, en art. 13, par. 1 en 3 van de wet van 31 december 1963 betref¬fende de civiele bescherming, worden vastgesteld na raadpleging van de vertegenwoordigers van de meest representatieve organisaties van het gemeentepersoneel.

Hetzelfde geldt voor de beslissingen te nemen door de Koning krachtens art. 29 van deze wet (W. 16.7.1993, B.S. 20.7.1993)].

De modaliteiten van die raadpleging worden door de Koning geregeld.

De raadpleging bedoeld in het 1e en in het 2e lid wordt vervangen door de formaliteiten inzake onderhandeling en overleg voorgeschreven door de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel voor de personeelsleden op wie deze wet toepasselijk is verklaard.

[Art. 144bis. - In afwijking van art. 31 van de wet van 24 juli 1987 betreffende de tijdelijke arbeid, de uitzendarbeid en het ter beschikking stellen van werknemers ten behoeve van gebruikers, kunnen gemeentebesturen, ter behartiging van gemeentelijke belangen, werknemers die met hen met een arbeidsovereenkomst zijn verbonden ter beschikking stellen van een O.C.M.W., een sociale huisvestingsmaatschappij of een vereniging zonder winstoogmerk.

Om de in het eerste lid bedoelde mogelijkheid te genieten moet het bestuursorgaan van de sociale huisvestingsmaatschappij of van de vereniging zonder winstoogmerk ten minste één lid tellen dat door de gemeenteraad is aangewezen.

De terbeschikkingstelling van werknemers ten behoeve van gebruikers, toegelaten bij het eerste lid, is onderworpen aan volgende voorwaarden :

1° de terbeschikkingstelling moet een beperkte tijd hebben en betrekking hebben op een opdracht die rechtstreeks verband houdt met een gemeentelijk belang;

2° de arbeidsvoorwaarden en het loon, met inbegrip van de vergoedingen en voordelen, van de terbeschikkinggestelde werknemer mogen niet lager liggen dan deze die hij zou genieten mocht hij bij zijn werkgever zijn tewerkgesteld; gedurende de periode waarin de werknemer ter beschikking van de gebruiker wordt gesteld is de gebruiker verantwoordelijk voor de toepassing van de bepalingen van de wetgeving inzake de reglementering en de bescherming van de arbeid, die gelden op de plaats van het werk zoals bedoeld bij art. 19 van voornoemde wet van 24 juli 1987;

3° de voorwaarden en de duur van de terbeschikkingstelling evenals de aard van de opdracht moeten worden vastgesteld in een geschrift, goedgekeurd door de gemeenteraad en ondertekend door de werkgever, de gebruiker en de werknemer nog voor het begin van de terbeschikkingstelling;

4° de terbeschikkingstelling van werknemers ten behoeve van een gebruiker, toegelaten bij het eerste lid, is maar mogelijk voorzover de gebruiker-zelf de werknemer had kunnen aanwerven onder de voorwaarden waaronder hij is aangeworven door het gemeentebestuur (W. 12.6.2002, B.S. 2.7.2002)].


Hoofdstuk II. - Administratief statuut en bezoldigingsregeling



Art. 145. - De gemeenteraad bepaalt [(...) (W. 16.7.1993, B.S. 20.7.1993)]:

1° de personeelsformatie [, het organogram waarvan het model desgevallend bepaald zal zijn door de Regering (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)] en de voorwaarden inzake werving en bevordering van het gemeente¬personeel;

[Het organogram van het personeel van de gemeente wordt door de gemeente op haar website gepubliceerd (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].

2° de bezoldigingsregeling en de weddeschalen van het gemeentepersoneel, met uitzondering van de personeelsleden wier bezoldigingsregeling wordt vastgesteld door deze wet of door de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving.

[De burgers met een andere dan de Belgische nationaliteit en die geen onderdaan zijn van de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte, komen in aanmerking voor de burgerlijke ambten bij de gemeenten die geen directe of indirecte deelneming aan de uitoefening van het openbaar gezag inhouden of geen werkzaamheden omvatten strekkende tot de bescherming van de algemene belangen van de Staat of andere openbare instanties (Ord. 11.3.2004, B.S. 23.3.2004)].

[Bij om het even welke vaste benoeming van de leden van het gemeentepersoneel kan hij eisen dat de betrokkenen hun woonplaats en hun werkelijke verblijfplaats op het grondgebied van de gemeente hebben en behouden. De gemeenteraad motiveert zijn beslissing (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].

[Art. 145bis. - De gemeenteraad verplicht alle personeelsleden die hij aanwerft binnen het jaar van hun aanstelling een opleiding te volgen over de werking van lokale besturen, die de Regering in overleg met de gemeenten organiseert.

De verplichting bedoeld in het eerste lid is niet van toepassing in geval van aanwerving van personeel tewerkgesteld op grond van een arbeidsovereenkomst voor een duur die minder dan 12 maanden bedraagt (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].

Art. 146. - [Par . 1. - Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied en de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, worden de beslissingen betreffende de vaststelling van de personeelsformaties en de beslissingen tot vaststelling van de voorwaarden inzake werving en bevordering onderworpen aan de goedkeuring:

1° van de Koning, als het gaat om een gemeente van het Duitse taalgebied, en van de Gewestexecutieve, als het gaat om één van de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, wanneer de gemeente [(…) (W. 14.5.2000, B.S. 31.5.2000)] meer dan 20.000 inwoners telt, of als ze met toepassing van art. 29 is ingedeeld bij een klasse van gemeenten met meer dan 20.000 inwoners; de Koning of de Gewestexecutieve, naargelang van het geval, kan die bevoegdheid aan de provinciegouverneur overdragen voor de klassen van gemeenten die hij bepaalt; hij kan elk door de gouverneur krachtens die bevoegdheidsoverdracht genomen besluit hervormen binnen zestig dagen te rekenen van de datum waarop bij een ter post aangetekend schrijven dat besluit ter kennis van de gemeente is gebracht; hij kan die termijn met ten hoogste zestig dagen verlengen;

2° van de provinciegouverneur voor de gemeenten die niet in 1° worden bedoeld.

De beslissingen waarvoor goedkeuring vereist is zijn van rechtswege uitvoerbaar indien de toezichthoudende overheid daaraan geen goedkeuring heeft onthouden binnen negentig dagen na hun ontvangst. Die termijn kan, bij een met redenen omkleed besluit, met ten hoogste negentig dagen worden verlengd.

Par. 2. - Voor de gemeenten Komen-Waasten en Voeren worden de beslissingen betreffende de vaststelling van de personeelsformaties en de beslissingen tot vaststelling van de voorwaarden inzake werving en bevordering onderworpen aan de goedkeuring van de provinciegouverneur, die zijn bevoegdheden uitoefent overeenkomstig de art. 267 tot en met 269.

Par. 3. - Elk besluit houdende niet-goedkeuring moet met redenen zijn omkleed.

De besluiten van de gouverneur worden bij uittreksel in het Bestuursmemoriaal bekendgemaakt en binnen dertig dagen bij een ter post aangetekend schrijven ter kennis van de gemeente gebracht (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].

Art. 147. - Par. 1. - De bezoldigingsregeling en de weddeschalen worden onder meer vastgesteld naargelang van de belangrijkheid der ambtsopdrachten, de graad van verantwoordelijkheid en de vereiste algemene- en vakbekwaamheid en rekening houdend met de plaats welke de personeels¬leden in de hiërarchie van de gemeenteadministratie bekleden.

[(...) (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)]

[Par. 2. - Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied, de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en de gemeenten Komen-Waasten en Voeren worden de beslissingen omtrent de in par. 1 bedoelde aangelegenheden onderworpen aan de goedkeuring van de provinciegouverneur.

Elk besluit houdende niet-goedkeuring moet met redenen zijn omkleed (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].

Art. 148. - Het gemeentepersoneel geniet onder dezelfde voorwaarden als het personeel der ministeries, volgende toelagen: haard- en standplaatstoelage, kinderbijslagen, vakantiegeld en gezinsvakantiegeld [(...) (W. 16.7.1993, B.S. 20.7.1993)].


Hoofdstuk III. - Benoeming



Art. 149. - De gemeenteraad benoemt de personeelsleden wier benoeming niet bij de wet wordt geregeld. Hij kan die bevoegdheid aan het college van burgemeester en schepenen opdragen, behalve voor:

1° de doctoren in de genees-, heel- en verloskunde en de doctoren in de veeartsenijkunde die hij met bijzondere opdrachten in het belang van de gemeente belast;

2° de leden van het onderwijzend personeel.


Hoofdstuk IV. - [Tucht van het onderwijzend personeel (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)]



Art. 150. - Par. 1. - De afzetting of de schorsing van [de leden van het personeel bedoeld in art. 17 van de Grondwet (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)] wier benoeming aan de gemeenteraad is opgedragen, behoort aan deze laatste(1)

[(...) (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)]
*** Art. 17 van de Grondwet is art. 24 van de Gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 geworden ***

[Par. 2. - Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied en de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966:

1° worden de beslissingen houdende schorsing voor drie maanden of meer of afzetting onderworpen aan de goedkeuring van de bestendige deputatie van de provincieraad; zij worden bij voorraad ten uitvoer gelegd;

2° mag de bestendige deputatie van de provincieraad, wanneer de titularis van een bediening bezwaar inbrengt tegen een besluit van de gemeenteraad tot opheffing van die bediening of tot vermindering van de eraan verbonden wedden, aan die beslissing alleen haar goedkeuring onthouden voor zover de genomen maatregelen klaarblijkelijk strekken tot een bedekte afzetting.

De gemeenteraad en het benadeeld personeelslid kunnen binnen [veertien (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)] dagen na de kennisgeving die hun ervan wordt gedaan, tegen de beslissing van de bestendige deputatie beroep instellen bij de Koning, als het gaat om een gemeente van het Duitse taalgebied, en bij de Gewestexecutieve, als het gaat om één van de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.

Par. 3. - Voor de gemeenten Komen-Waasten en Voeren oefent de provinciegouverneur de in par. 2, 1e lid, 1° en 2°, bedoelde bevoegdheden van toezicht uit, overeenkomstig de art. 267 tot en met 269.

De gemeenteraad en het benadeelde personeelslid kunnen bij de Gewestexecutieve beroep instellen tegen de beslissing van de gouverneur, binnen [veertien (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)] dagen na de kennisgeving die hun ervan wordt gedaan (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].

Art. 151. - Het college van burgemeester en schepenen kan [de leden van het personeel bedoeld in art. 17 van de Grondwet (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)] schorsen voor een termijn van ten hoogste zes weken.
*** Art. 17 van de Grondwet is art. 24 van de Gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 geworden ***

Art. 152. - [Elke krachtens de art. 150 en 151 uitgesproken schorsing (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)] heeft, zolang zij duurt, verlies van wedde ten gevolge, tenzij de overheid die ze oplegt, anders beslist.

De overheid waaraan deze wet het recht tot schorsing of afzetting van [de leden van het personeel bedoeld in art. 17 van de Grondwet (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)] toekent, kan hun de straf van waarschuwing of van berisping opleggen.

Voordat enige tuchtmaatregel - waarschuwing, berisping, schorsing of afzetting - op [een lid van het personeel bedoeld in art. 17 van de Grondwet (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)] kan worden toegepast, wordt deze gehoord; van zijn verklaringen wordt proces-verbaal opgemaakt.
*** Art. 17 van de Grondwet is art. 24 van de Gecoördineerde Grondwet van 17 februari 1994 geworden ***

[Hoofdstuk IVbis. - Verbodsbepalingen (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)]


Art. 153. - Par. 1. - De gemeenteraad kan de klerken, beambten en vaste brandweerlieden verbieden, zelf of door een tussenpersoon, enige handel te drijven of enige bediening te vervullen waarvan de uitoefening zou worden geacht onverenigbaar te zijn met hun ambt.

[In geval van overtreding van dit verbod, kan aan het betrokken personeelslid een tuchtstraf opgelegd worden (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)].

[(...) (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)]

[(...) (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)]

[Par. 2. - Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied, de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 en de gemeenten Komen-Waasten en Voeren worden de beslissingen waardoor de gemeenteraad de in par. 1 bedoelde straffen uitspreekt, onderworpen aan de goedkeuring van de bestendige deputatie van de provincie¬raad.

De betrokkene kan binnen [veertien (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)] dagen na de kennisgeving die hem ervan wordt gedaan, tegen de beslissing van de bestendige deputatie beroep instellen bij de Ko¬ning, als het gaat om een gemeente van het Duitse taalgebied, en bij de Gewestexecutieve, als het gaat om één van de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in be¬stuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, de gemeente Komen-Waasten of de gemeente Voeren.

Par. 3. - Wanneer de gemeenteraad de in par. 1 bedoelde straffen niet oplegt, worden ze voor diezelfde gemeenten ambtshalve opgelegd door de provinciegouverneur, op eensluidend advies van de bestendige deputatie van de provincieraad, na twee opeenvolgende, uit de briefwisseling blijkende waarschuwingen.

Bij ontstentenis van een eensluidend advies van de bestendige deputatie, kan de gouverneur beroep instellen bij de Koning, als het om een gemeente van het Duitse taalgebied gaat, en bij de Gewestexecutieve, als het gaat om één van de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, de gemeente Komen-Waasten of de gemeente Voeren.

De klerken, beambten en vaste brandweerlieden kunnen binnen [veertien (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)] dagen na de hun gedane kennisgeving tegen de beslissing van de gouverneur welke hen uit hun ambt ontzet, beroep instellen bij de Koning, als het gaat om een gemeente van het Duitse taalgebied, en bij de Gewestexecutieve als het gaat om één van de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, de gemeente Komen-Waasten of de gemeente Voeren (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].


Hoofdstuk V. - Het personeel van de burgerlijke stand



Art. 154. - De burgemeester of de schepen belast met de bediening van ambtenaar van de burgerlijke stand kan te dien einde en, naargelang van de behoeften van de dienst, één of meer door de gemeente bezoldigde beambten onder zijn gezag hebben die hij benoemt en ontslaat zonder tussenkomst van de gemeenteraad; deze moet echter altijd het aantal en de bezoldiging van die beambten bepalen.

Art. 155. - Par. 1. - In gemeenten waar één of meer betrekkingen bij de burgerlijke stand zijn, mag de raad het aantal betrekkingen en de aan elk ervan verbonden wedde niet verminderen [dan na de ambtenaar van de burgelijke stand gehoord te hebben (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].

[Par. 2. - Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied en de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, worden de beslissingen over de in par. 1 bedoelde aangelegenheden onderworpen aan de goedkeuring van de bestendige deputatie van de provincieraad.

De gemeenteraad, de ambtenaar van de burgerlijke stand en de beambten kunnen binnen vijftien dagen na de kennisgeving die hun daarvan gedaan is, tegen de beslissing van de bestendige deputatie beroep instellen bij de Koning, als het gaat om één van de gemeenten van het Duitse taalgebied, en bij de Gewestexecutieve, als het gaat om één van de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.

Par. 3. - Voor de gemeenten Komen-Waasten en Voeren worden de beslissingen over de in par. 1 bedoelde aangelegenheden onderworpen aan de goedkeuring van de provinciegouverneur, die zijn bevoegdheden uitoefent overeenkomstig de art. 267 tot en met 269.

De gemeenteraad, de ambtenaar van de burgerlijke stand en de beambten kunnen bij de Gewestexecutieve in beroep gaan tegen de beslissing van de gouverneur, en zulks binnen vijftien dagen na de kennisgeving die hun daarvan is gedaan (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].

Hoofdstuk VI. - Pensioenen


Art. 156. - De gemeenten zijn gehouden aan de leden van hun personeel die vast benoemd zijn, en aan hun rechthebbenden, een pensioen te verzekeren berekend volgens de regelen die op ambtenaren en beambten van het hoofdbestuur van het Ministerie van Binnenlandse Zaken alsmede op hun rechthebbenden worden toegepast.

[Het pensioen wordt berekend op basis van de referentiewedde bepaald in art. 8, par. 1, tweede lid, van de algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen.

Worden in aanmerking genomen ten belope van 1/50 per jaar dienst van deze referentiewedde, de diensten die betrokkene gepresteerd heeft :

1° als lid van het gemeentelijk politiekorps in de hoedanigheid van politieambtenaar bevoegd voor de uitoefening van opdrachten van gerechtelijke of bestuurlijke politie of als hulpagent van politie;

2° als lid van het operationeel korps van een brandweer dat rechtstreeks deelneemt aan de brandbestrijding (W. 3.2.2003, B.S. 13.3.2003)].

[Voor de leden van de politie die, overeenkomstig art. 238 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, met verlof voorafgaand aan de pensionering zijn gegaan, wordt de verhoging van het pensioen waarin het derde lid voorziet, slechts toegestaan voor het gedeelte van het pensioen dat overeenstemt met de periode die voorafgaat aan het verlof voorafgaand aan de pensionering (W. 7.12.1998, B.S. 5.1.1999)].

Art. 157. - De nieuwe gemeenten tot stand gekomen ingevolge samenvoeging of aanhechting krachtens het K.B. van 17 september 1975 houdende samenvoeging van gemeenten en wijziging van hun grenzen, bekrachtigd door de wet van 30 december 1975, zijn ertoe gehouden aan hun personeelsleden die in vast verband aangeworven en benoemd worden vanaf de datum van de installatie van de nieuwe gemeenteraad en aan hun rechtverkrijgenden een pensioen te verlenen vastgesteld en berekend overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk, met uitsluiting van welke gemeentelijke pensioenreglementering ook.

Art. 158. - De gemeenteambtenaren worden op pensioen gesteld op de leeftijd bepaald bij de algemene reglementen, met dien verstande dat deze leeftijd ten minste zestig en ten hoogste vijfenzestig jaar moet bedragen.

Dezelfde maximumleeftijd geldt niettegenstaande alle andersluidende wettelijke en reglementaire bepalingen inzake pensioenregeling voor het personeel dat aan dit hoofdstuk is onderworpen [behalve voor de personeelsleden bedoeld in art. 238 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, waarvoor die maximumleeftijd wordt vastgesteld op 4 jaar na de leeftijd waarop hun het verlof voorafgaand aan de pensionering is toegekend, zonder dat ze evenwel ouder mogen zijn dan 60 jaar (W. 7.12.1998, B.S. 5.1.1999)].

Art. 159. - Wegens ziekte of gebrekkelijkheid, worden de gemeenteambtenaren onder dezelfde voorwaarden op pensioen gesteld als de ambtenaren van het hoofdbestuur van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Openbaar Ambt.

Art. 160. - In geval van vaste benoeming, worden de civiele diensten als tijdelijk beambte bewezen, aan de gemeenten, aan de instellingen die er van afhangen, aan de verenigingen van gemeenten, alsmede de diensten bewezen door de brigadecommissarissen en de gewestelijke ontvangers, in aanmerking genomen om de rechten op het pensioen van de belanghebbenden en van hun rechthebbenden vast te stellen.

Art. 161. - [Par. 1. - De gemeenten die voordien aangesloten waren bij de Omslagkas voor gemeentelijke pensioenen zoals bedoeld bij art. 4 van de wet van 25 april 1933 omtrent de pensioenregeling van het gemeentepersoneel, vóór zijn opheffing door het K.B. nr 491 van 31 december 1986, zijn van rechtswege aangesloten bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten, zoals bedoeld in art. 1 van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen.

De gemeenten die niet rechtstreeks of door tussenkomst van een voorzorgsinstelling de betaling van het pensioen van hun personeel alsmede van het pensioen der weduwen en wezen op zich nemen, alsmede de provincies, wat de brigadecommissarissen [… (W. 25.1.1999, B.S. 6.2.1999)] betreft, worden inzake de pensioenregeling aangesloten bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten, zoals bedoeld in art. 1 van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen (K.B. 8.3.1990, B.S. 13.4.1990)].

[De vastbenoemde gewestelijke ontvangers zijn inzake de pensioenregeling van rechtswege aangesloten bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten (W. 25.1.1999, B.S. 6.2.1999)].

[(…) vernietigd door A.H., 1.7.1993, nr. 54/93, B.S. 13.7.1993)].

De pensioenen worden toegekend door de Minister tot wiens bevoegdheid de Administratie der pensioenen behoort en worden door de Staat uitgekeerd.

[De Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten stelt ieder jaar voor het daaropvolgende jaar de bijdragevoet vast die nodig is voor de financiering van de pensioenen van de gewezen personeelsleden van de plaatselijke besturen die aangesloten zijn bij de Rijksdienst, met toepassing van het eerste en het tweede lid, en van de pensioenen van hun rechthebbenden. De bijdragevoet wordt toegepast op de wedden die elk plaatselijk bestuur betaalt aan de benoemde personeelsleden aangesloten gedurende het lopende jaar. Deze bijdragevoet wordt vastgesteld op basis van de verhouding tussen, enerzijds, de vermoedelijke uitgaven voor de pensioenen van deze personen, en, anderzijds, de vermoedelijke weddemassa van het bij dit stelsel aangesloten personeel. Hij wordt berekend, rekening houdend met de voorzienbare evolutie van de hiervoor bepaalde verhouding voor een periode die niet korter mag zijn dan drie jaar. Indien de opbrengst van de bijdragen voor een bepaald jaar hoger blijkt dan de werkelijk uitgevoerde pensioenuitgaven voor datzelfde jaar, wordt het overschot ingeschreven in het Reservefonds van de pensioenen van de Rijksdienst. Zowel dit overschot als de financiële inkomsten die het voortbrengt, kunnen enkel worden bestemd voor de financiering van het in het eerste en tweede lid bedoeld gemeenschappelijk pensioenstelsel van de lokale overheden.

De plaatselijk overheidsdiensten waarvan het personeel met toepassing van het eerste en tweede lid is aangesloten, dienen aan de Rijksdienst de bijdragen te storten, die met toepassing van het vijfde lid verschuldigd zijn, volgens de regels bepaald in Hoofdstuk II van het koninklijk besluit van 25 oktober 1985 tot uitvoering van Hoofdstuk I, sectie 1 van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen. [De betaling van het geheel van de bijdragen kan, bij beslissing van het plaatselijk bestuur in het kader van een pensioenverzekeringsovereenkomst, aan een voorzorgsinstelling worden toevertrouwd. De voorzorgsinstelling neemt de verplichtingen inherent aan deze betalingen ten aanzien van de Rijksdienst over. Voor deze bijdragen wordt, voor de toepassing van hoofdstuk II van voormeld koninklijk besluit van 25 oktober 1985, de voorzorgsinstelling in de plaats gesteld van het bestuur. De beslissing van het plaatselijk bestuur om de betaling van de bijdragen aan een voorzorgsinstelling toe te vertrouwen of om deze niet langer meer aan de voorzorgsinstelling toe te vertrouwen moet ten laatste op 30 september bij een ter post aangetekende zending aan de Rijksdienst ter kennis gebracht worden om uitwerking te hebben met ingang van 1 januari van het volgende jaar (W. 25.4.2007, B.S. 11.5.2007)].

De Rijksdienst stort maandelijks vooraf aan [de Pensioen dienst voor de overheidssector (W. 12.1.2006, B.S. 3.2.2006)] de provisies die nodig zijn voor de betaling van de pensioenmaandbedragen ten laatste van het in het eerste en tweede lid bedoelde gemeenschappelijk stelsel van de lokale overheden (W. 22.2.1998, B.S. 3.3.1998)].

De gemeente houden op de wedden van het personeel 7,5 % in, om ieder jaar het voor de pensioenlasten bestemde krediet te stijven (W. 25.4.2007, B.S. 11.5.2007)].

[Par. 2. - De gemeenten die op 31 december 1993 aangesloten waren bij het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden kunnen bij dat stelsel eveneens hun niet-aangesloten vast benoemde personeelsleden aansluiten die in dienst zijn op de datum van die aanvullende aansluiting.

De rustpensioenen toegekend aan de in het eerste lid bedoelde personeelsleden evenals de overlevingspensioenen toegekend aan hun rechthebbenden, die ingaan vanaf de datum van de in het eerste lid bedoelde aanvullende aansluiting, vallen ten laste van het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden.

De rust- en overlevingspensioenen die op de datum van die aanvullende aansluiting ten laste van de gemeente vielen, worden gedeeltelijk overgenomen door het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden.

Het door dit stelsel overgenomen gedeelte van de pensioenen is gelijk aan het verschil tussen, enerzijds, de weddenmassa van het geheel van het vast benoemd personeel van de betreffende gemeente voor het jaar van de aansluiting, vermenigvuldigd met de bijdragevoet vastgesteld overeenkomstig § 1, zesde lid, en, anderzijds, de last, voor het jaar van de aansluiting, van de rustpensioenen van de gewezen personeelsleden van de betreffende gemeente evenals van de overlevingspensioenen van hun rechthebbenden. De op de datum van de aansluiting lopende pensioenen met de meest recente ingangsdatum worden bij voorrang overgenomen.

De Koning bepaalt de nadere regels van de aanvullende aansluiting bedoeld in het eerste lid (W. 25.4.2007, B.S. 11.5.2007)].

[Art. 161bis. - Par. 1. - Wanneer, ten gevolge van de herstructurering of de afschaffing van een plaatselijke overheidsdienst die inzake pensioenen aangesloten is bij het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden, personeel van deze overheidsdienst overgeheveld wordt naar één of meerdere private of openbare werkgevers die noch deelnemen aan het gemeenschappelijk pensioenstelsel van de plaatselijke overheden noch aan het stelsel van de nieuwe bij de Rijksdienst aangeslotenen, zijn deze werkgevers, vanaf de datum van de herstructurering of de afschaffing, ertoe gehouden bij te dragen in de last van de rustpensioenen van de personeelsleden van de geherstructureerde of afgeschafte plaatselijke overheidsdienst die in deze hoedanigheid gepensioneerd werden vóór de herstructurering of de afschaffing ervan. Dit geldt eveneens voor de last van de overlevingspensioenen van de rechthebbenden van voormelde personeelsleden of van de personeelsleden van deze plaatselijke overheidsdienst overleden zijn vóór de datum van de herstructurering of de afschaffing ervan.

De bijdrage van die werkgever of werkgevers wordt jaarlijks door de Pensioendienst voor de overheidssector vastgesteld. Deze bijdrage is gelijk aan het bedrag dat verkregen wordt door de last van de in het eerste lid bedoelde en in de loop van het voorgaande jaar betaalde rust- en overlevingspensioenen te vermenigvuldigen met een coëfficiënt die gelijk is aan de verhouding die de weddenmassa van het overgehevelde personeel vertegenwoordigt ten opzichte van de totale weddenmassa van de plaatselijke overheidsdienst op het ogenblik van zijn herstructurering of zijn afschaffing. Voor de toepassing van dit lid worden uitsluitend de wedden van het vast benoemde personeel in aanmerking genomen. De voormelde coëfficiënt wordt door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten vastgesteld, rekening houdend met de respectieve weddenmassa's op de datum van de personeelsoverdracht.

Par. 2. - In het in par. 1 bedoelde geval is, vanaf de ingangsdatum van het pensioen, het pensioen of pensioenaandeel van het overgehevelde personeelslid ten laste van de werkgever waarnaar dit personeelslid overgeheveld werd. In geval van een pensioenaandeel wordt dit berekend overeenkomstig de bepalingen van de wet van 14 april 1965 tot vaststelling van een bepaald verband tussen de onderscheiden pensioenregelingen van de openbare sector.

Par. 3. - Om de toepassing van de in par. 1 vervatte bepalingen mogelijk te maken, zijn de in de rechten en verplichtingen van de geherstructureerde of afgeschafte plaatselijke overheidsdienst getreden private of openbare werkgevers ertoe gehouden aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten een nominatieve lijst van de overgedragen personeelsleden mede te delen. Deze mededeling moet ten laatste plaatshebben binnen de twee maanden die volgen op de datum van de personeelsoverdracht (W. 22.12.2008, B.S. 29.12.2008) (W. 30.12.1992, B.S. 9.1.1993)].

[Art. 161ter. - Par. 1. - De Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten betekent aan elke betrokken plaatselijke overheidsdienst het bedrag van de last die hem toevalt met toepassing van art. 161bis, par. 1 en 2.

Het met toepassing van het 1e lid gevraagde bedrag dient te worden gestort aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid der provinciale en plaatselijke overheidsdiensten binnen de twee maanden volgend op de betekening.

Bij wijze van voorschot op de som die voor het lopende jaar zal verschuldigd zijn, is de plaatselijke overheidsdienst ertoe gehouden elk kwartaal een voorlopig bedrag te storten dat overeenstemt met het geraamd bedrag van de pensioenlast voor dit kwartaal. Dit voorlopig bedrag wordt vastgesteld door de Administratie der pensioenen en betekend aan de betrokken plaatselijke overheidsdienst door de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten.

Par. 2. - De met toepassing van par. 1 verschuldigde bedragen worden gelijkgesteld met pensioen¬bijdragen bedoeld bij art. 1, f), van het K.B. van 25 oktober 1985 tot uitvoering van hoofdstuk I, sectie 1, van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen.

Par. 3. - De Koning bepaalt de nadere regelen volgens welke de met toepassing van par. 1 verschuldigde bedragen dienen gestort te worden. Hij bepaalt eveneens het bedrag en de toepassingsvoorwaarden van de verhogingen en de verwijlintresten in geval van niet-naleving van de betalingstermijnen, alsook de invorderingsregelen en de wijze waarop de bijdragen, de verhogingen en de intresten overgedragen worden aan de Openbare Schatkist.

Par. 4. - De schuldvordering van de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten m.b.t. de met toepassing van par. 1 verschuldigde bedragen verjaart na [vijf jaar (W. 22.2.1998, B.S. 3.3.1998)] vanaf haar opeisbaarheid. Deze wordt bepaald door de kennisgeving van het bedrag van de financiële last aan de betrokken plaatselijke overheidsdienst bij aangetekend schrijven van de voormelde Rijksdienst. De verjaring van de schuldvordering wordt gestuit door een ter post aangetekend schrijven of door een dagvaarding voor het gerecht

(W. 30.12.1992, B.S. 9.1.1993)].

[Art. 161quater. - De bepalingen van de art. 161, 161bis en 161ter zijn niet van toepassing op de personeelsleden van de lokale politiekorpsen (W. 6.5.2002, B.S. 30.5.2002)].

[De bepalingen van de paragrafen 1 tot 3 van artikel 161bis, zoals gewijzigd bij artikel 58 van de wet van 22 december 2008 houdende diverse bepalingen (I), zijn uitsluitend van toepassing op de plaatselijke besturen waarin vanaf 1 januari 2009 een herstructurering of een afschaffing heeft plaatsgevonden.

De bepalingen van artikel 161bis, zoals ze luidden vóór ze bij hetzelfde artikel 58 werden gewijzigd, blijven van toepassing op de herstructureringen en de afschaffingen die tussen 1 januari 1993 en 1 januari 2009 hebben plaatsgevonden (W. 22.12.2008, B.S. 29.12.2008)].

Art. 162 . - Heeft een gemeente voor het vaststellen van haar aandeel in de jaarlijkse pensioen¬uitgaven lagere wedden opgegeven dan die welke voor het berekenen van een pensioen tot grondslag moeten dienen, dan blijft het verschil van het pensioenbedrag uitsluitend te haren laste.

Art. 163. - De vóór 1 januari 1934 op pensioen gestelde personeelsleden en hun rechtverkrijgenden, alsmede de rechtverkrijgenden van de vóór die datum overleden personeelsleden verkrijgen, ten bezware van de Administratie der pensioenen of, bij niet-aansluiting, ten bezware van de gemeente, een pensioen gelijk aan datgene dat hun zou zijn toegekend indien het tegenwoordig statuut op hen was toegepast geworden.

Dit pensioen wordt berekend op de grondslagen van de bezoldiging waarop de titularissen aanspraak hadden kunnen maken, ingevolge de op 31 december 1945 van kracht zijnde wedderegeling.

De berekening der nieuwe pensioenen zal ingaan op 1 januari 1946.

Het pensioen wordt verminderd in de mate waarin de belanghebbenden elders een pensioen of een wedde ten laste der openbare besturen mochten genieten.

De gemeenten wier personeel bij de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten is aangesloten en die uiterlijk op 5 mei 1933 tot het verlenen van een pensioen aan de in dit artikel bedoelde personeelsleden en rechtverkrijgenden besloten hebben, worden tot het passende beloop van die verplichting ontslagen.

Art. 164. - In afwijking van art. 158, 1e lid, mogen de gemeenteambtenaren die op 25 april 1933 in dienst zijn, en voor wie, bij hun benoeming, geen leeftijdsgrens werd bepaald, tot op de volle leeftijd van vijfenzestig jaar in dienst blijven.

Behalve in geval van ziekten of gebrekkigheden, komen de pensioenen van de gemeente¬ambtenaren eerst ten bezware van de administratie der pensioenen met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de datum waarop de ambtenaren de leeftijd van 65 jaar bereikt hebben.

Art. 165. - Bovenstaande bepalingen zijn van toepassing op de brigadecommissarissen.

De aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten verschuldigde sommen wegens aansluiting der brigadecommissarissen worden door de provincies betaald. De bestendige deputaties van de provincieraden mogen de uitgave over de gemeenten der brigade omslaan.

Art. 166. - De aanvullingsregelen omtrent de betaalbaarstelling der pensioenen worden bij K.B. vastgesteld.

Art. 167. - De activa, rechten en verplichtingen van de Omslagkas worden overgedragen aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten.

Art. 168. - De activa, in een door de openbare besturen opgerichte voorzorgsinstelling, verworven met het oog op het vormen van een pensioen voor diensten in een gemeente door bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten aangesloten ambtenaren bewezen, worden aan bedoelde Rijksdienst overgedragen.

Art. 169. - Dit hoofdstuk is van toepassing op de gewestelijke ontvangers.

Laatste bijwerking

23.03.2009
Verwante documenten
Algemene voorwaarden | RSS | Nuttige links