Titel I : Het gemeentebestuur (art. 1 tot 70)
Hoofdstuk I. - Samenstelling van het gemeentebestuur
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 1. - Er is in iedere gemeente een gemeentebestuur, samengesteld uit raadsleden, de burgemeester en de schepenen.
Art. 2. - [De gemeenteraadsleden worden gekozen voor zes jaar, te rekenen vanaf 1 december na hun verkiezing. Ze worden geïnstalleerd tijdens de vergadering van de gemeenteraad die plaatsheeft binnen 7 dagen te rekenen vanaf 1 december. Ze zijn herkiesbaar. (Ord. 20.07.2006, B.S. 29.08.2006)]
De gemeenteraden worden om de zes jaar geheel vernieuwd.
Art. 3. - De burgemeester en de schepenen worden eveneens voor zes jaar benoemd of gekozen.
Zij verliezen echter deze hoedanigheid, indien zij intussen ophouden deel uit te maken van de gemeenteraad.
Art. 4. - De leden van het gemeentebestuur die aftreden bij een algehele vernieuwing en de ontslag¬nemende leden blijven in functie totdat de geloofsbrieven van hun opvolgers zijn onderzocht en hun installatie heeft plaatsgehad.
Bovendien moet het aftredend of ontslagnemend lid dat bekleed is met het ambt van burgemeester of schepen, dit ambt blijven uitoefenen totdat hij, hetzij als burgemeester of schepen, hetzij als gemeenteraadslid, vervangen is.
Art. 5. – [De rangschikking van de gemeenten overeenkomstig de art. 8 en 16 wordt bij elke volledige vernieuwing van de gemeenteraden door de [Brusselse Hoofdstedelijke Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] in overeenstemming gebracht met het bevolkingscijfer. Het in aanmerking te nemen inwonertal is het aantal personen dat ingescheven is in het Rijksregister van de natuurlijke personen die op [31 december (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] van het jaar vóór dat van de volledige vernieuwing van de gemeenteraden hun hoofdverblijfplaats in de desbetreffende gemeente hadden.
Het bevolkingscijfer dat vastgesteld is overeenkomstig het eerste lid, is eveneens van toepassing op dezelfde datum, op de rangschikkingen bedoeld in de art. 28 tot 30 evenals, voor zover zij verwijzen naar een klasse van gemeenten die gebaseerd is op het bevolkingscijfer, in de art. 19, par. 1, [42, 65, par. 1 (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].
De minister van Binnenlandse Zaken maakt de bevolkingscijfers van de gemeenten van het Rijk, vastgesteld overeenkomstig het eerste lid, ten laatste op 1 mei van het jaar waarin de volledige vernieuwing van de gemeenteraden plaatsvindt bekend in het Belgisch Staatsblad (W. 14.5.2000, B.S. 31.5.2000)].
Art. 6. – [(…) (W. 14.5.2000, B.S. 31.5.2000)].
Afdeling 2. - De gemeenteraadsleden
Art. 7. - De gemeenteraadsleden worden rechtstreeks gekozen door de vergadering van de gemeenteraadskiezers.
Art. 8. - De gemeenteraad bestaat, met inbegrip van de burgemeester en de schepenen, uit 7 leden in de gemeenten beneden 1.000 inwoners;
uit 9 leden in die van 1.000 tot 1.999 inwoners;
uit 11 leden in die van 2.000 tot 2.999 inwoners;
uit 13 leden in die van 3.000 tot 3.999 inwoners;
uit 15 leden in die van 4.000 tot 4.999 inwoners;
uit 17 leden in die van 5.000 tot 6.999 inwoners;
uit 19 leden in die van 7.000 tot 8.999 inwoners;
uit 21 leden in die van 9.000 tot 11.999 inwoners;
uit 23 leden in die van 12.000 tot 14.999 inwoners;
uit 25 leden in die van 15.000 tot 19.999 inwoners;
uit 27 leden in die van 20.000 tot 24.999 inwoners;
uit 29 leden in die van 25.000 tot 29.999 inwoners;
uit 31 leden in die van 30.000 tot 34.999 inwoners;
uit 33 leden in die van 35.000 tot 39.999 inwoners;
uit 35 leden in die van 40.000 tot 49.999 inwoners;
uit 37 leden in die van 50.000 tot 59.999 inwoners;
uit 39 leden in die van 60.000 tot 69.999 inwoners;
uit 41 leden in die van 70.000 tot 79.999 inwoners;
uit 43 leden in die van 80.000 tot 89.999 inwoners;
uit 45 leden in die van 90.000 tot 99.999 inwoners;
uit 47 leden in die van 100.000 tot 149.999 inwoners;
uit 49 leden in die van 150.000 tot 199.999 inwoners;
uit 51 leden in die van 200.000 tot 249.999 inwoners;
uit 53 leden in die van 250.000 tot 299.999 inwoners;
uit 55 leden in die van 300.000 inwoners en daarboven.
De raad blijft bestaan uit het hierboven bepaald getal leden, zelfs wanneer de burgemeester daar¬buiten benoemd wordt.
Art. 9. - Elke gekozen kandidaat kan, nadat zijn verkiezing geldigheid heeft verkregen, voor zijn installatie afstand doen van zijn mandaat.
Om geldig te zijn moet die afstand schriftelijk ter kennis gebracht worden van de gemeenteraad.
Indien het feit van de afstand wordt betwist, doet [het rechtscollege (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] uit¬spraak overeenkomstig art. 75, 2e lid, van de gemeentekieswet, gecoördineerd op 4 augustus 1932.
De beslissing wordt door de zorgen van de [voorzitter van het rechtscollege (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] ter kennis gebracht van de betrokken kandidaat.
Deze kan bij de Raad van State beroep instellen binnen acht dagen na de kennisgeving.
[(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].
Art. 10. - Een lid van het gemeentebestuur dat niet meer voldoet aan een van de verkiesbaarheids¬vereisten houdt op deel uit te maken van de raad.
Van de feiten die verval van het lidmaatschap kunnen meebrengen, geeft het college van burge¬meester en schepenen dadelijk kennis [aan het rechtscollege (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] en zendt van deze kennisgeving bericht aan de betrokkene, tegen ontvangbewijs.
Indien de betrokkene, zelfs bij ontstentenis van enige kennisgeving, zijn bediening blijft uitoefenen hoewel hij kennis heeft van de oorzaak van het verval, is hij strafbaar met de straffen bepaald in art. 262 van het Strafwetboek.
Het gemeenteraadslid tegen wie verval van lidmaatschap wordt gevorderd, kan zijn bezwaren [bij het rechtscollege (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] indienen binnen acht dagen nadat hij mededeling heeft gekregen van de kennis¬geving die aan dit college is gedaan.
Het verval wordt door [het rechtscollege (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] vastgesteld binnen dertig dagen nadat hetzij de kennisgeving aan dit college, hetzij een bezwaarschrift van derden [(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] is ingekomen. De vormen bepaald in art. 75, 2e lid, van de gemeentekieswet worden door de bestendige deputatie in acht genomen.
Deze beslissing wordt door de zorg van de [voorzitter van het rechtscollege (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] ter kennis gebracht van het betrokken lid van het gemeentebestuur, van het college van burgemeester en schepenen en in voor¬komend geval van degenen die bij [het rechtscollege (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] bezwaren hebben ingediend.
Zij kunnen bij de Raad van State beroep instellen binnen acht dagen na de kennisgeving.
[(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].
Art. 11. - [Het gemeenteraadslid dat verhinderd is wegens de vervulling van zijn actieve militaire diensttijd of van zijn burgerdienst als gewetensbezwaarde, wordt, op zijn schriftelijk verzoek gericht aan het college van burgemeester en schepenen, gedurende die periode vervangen.
Het gemeenteraadslid dat een ouderschapsverlof wenst te nemen, wegens de geboorte of de adoptie van een kind wordt, op zijn schriftelijk verzoek gericht aan het college van burgemeester en schepe¬nen, vervangen, ten vroegste vanaf de zevende week voor de vermoedelijke datum van de geboorte of van de adoptie, tot het einde van de achtste week na de dag van de geboorte of de adoptie. Op zijn schriftelijk verzoek wordt de onderbreking van de uitoefening van het mandaat na de achtste week verlengd met een duur gelijk aan die gedurende dewelke hij zijn mandaat verder heeft uitge¬oefend tijdens de periode van zeven weken die de dag van de geboorte of de adoptie voorafgaan.
Het gemeenteraadslid dat verhinderd is wegens de vervulling van zijn actieve militaire diensttijd of van zijn burgerdienst als gewetensbezwaarde, of wegens ouderschapsverlof en om zijn vervanging verzoekt, wordt vervangen door de opvolger van zijn lijst die als eerste gerangschikt is overeen¬komstig art. 58 van de gemeentekieswet, na onderzoek van diens geloofsbrieven door de gemeente¬raad.
Het 1e en het 2e lid zijn echter slechts toepasselijk vanaf de eerste gemeenteraadsvergadering na die waarop het gemeenteraadslid dat verhinderd is, geïnstalleerd is (W. 21.3.1991, B.S. 9.4.1991)].
Art. 12. - [
Par. 1. - De gemeenteraadsleden ontvangen geen wedde.
Zij trekken presentiegeld als zij deel nemen aan de vergaderingen van de gemeenteraad en aan de vergaderingen van de commissies en van de afdelingen.
Het bedrag van het presentiegeld wordt vastgesteld door de gemeenteraad.
Het presentiegeld bedraagt minimum [37,18 € (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] en mag niet meer bedragen dan het presentiegeld dat de provincieraadsleden trekken als zij deelnemen aan de vergaderingen van de provincieraad, verhoogd of verlaagd volgens de geldende regels van de koppeling aan het indexcijfer (W. 4.5.1999, B.S. 28.7.1999)].
[
Par. 1bis. - De gemeente kan, op de door de [Brusselse Hoofdstedelijke Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] te bepalen wijze, de presentiegelden van het gemeenteraadslid dat andere wettelijke of reglementaire bezoldigingen, pensioenen, vergoedingen of toelagen geniet, aanvullen met een bedrag ter compensatie van het inkomensverlies dat betrokkene lijdt, op voorwaarde dat de mandataris daar zelf om verzoekt.
De som van de presentiegelden, aangevuld met het bedrag ter compensatie van het inkomensverlies, kan nooit hoger zijn dan de wedde van een schepen van een gemeente met 50 000 inwoners (W. 4.5.1999, B.S. 28.7.1999)].
Par. 2. - Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied en de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, worden de beslissingen over de in par. 1 genoemde aangelegenheid onderworpen aan de goedkeuring van de bestendige deputatie van de provincieraad.
Par. 3. - Voor de gemeenten Komen-Waasten en Voeren worden de beslissingen over de in par. 1 genoemde aangelegenheid onderworpen aan de goedkeuring van de provinciegouverneur, die zijn bevoegdheden overeenkomstig de art. 267 tot en met 269 uitoefent (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].
[
Art. 12bis. - Het raadslid dat wegens een handicap niet zelfstandig zijn mandaat kan vervullen, kan zich voor de uitoefening van dit mandaat laten bijstaan door een vertrouwenspersoon gekozen uit de gemeenteraadskiezers, die aan de verkiesbaarheidsvereisten voor het mandaat van gemeenteraadslid voldoen, en die geen lid is van het gemeentepersoneel, noch van het personeel van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van de betrokken gemeente.
Voor de toepassing van het 1e lid bepaalt de [Brusselse Hoofdstedelijke Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] de criteria tot vaststelling van de hoedanigheid van een raadslid met een handicap.
[Bij het verlenen van de bijstand, heeft de vertrouwenspersoon dezelfde verplichtingen en krijgt hij dezelfde middelen ter beschikking als het raadslid, met inbegrip van het ontvangen van presentiegeld (Ord. 20.7.2006, 22.8.2006)].
[De regering stelt de soorten handicaps vast die het raadslid recht geven op de bijstand van een specifiek opgeleide persoon, alsook de wijze en het bedrag van de vergoeding van deze persoon voor rekening van de gemeente.
Deze persoon hoeft niet noodzakelijk te worden gekozen uit de kiezers van de gemeente, of hoeft niet te voldoen aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden voor het mandaat van gemeenteraadslid en de eed af te leggen als bedoeld in artikel 80. De eventuele steun van andere overheden in het kader van de bijstand aan personen met een handicap wordt van zijn vergoeding afgetrokken (Ord. 20.7.2006, B.S. 22.8.2006)] (W. 11.7.1994, B.S. 20.12.1994)].
Afdeling 3. - De burgemeester
Art. 13. - [De burgemeester wordt door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering benoemd uit de Belgische verkozenen voor de gemeenteraad, op schriftelijke voordracht van minstens de meerderheid van de verkozenen van de lijst waarop hij opgekomen is en van minstens de meerderheid van de verkozenen voor de gemeenteraad.
Indien de burgemeester overlijdt, afziet van zijn mandaat als burgemeester, zijn hoedanigheid van gemeenteraadslid verliest of wordt afgezet, wordt een nieuwe kandidaat schriftelijk voorgedragen door minstens de meerderheid van degenen die op dezelfde lijst zijn verkozen en de meerderheid van de verkozenen voor de gemeenteraad, binnen twee maanden na de vacantverklaring van het mandaat.
Indien de voor het burgemeesterambt voorgedragen kandidaat afkomstig is van een lijst die slechts twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van één van hen om, naar gelang van het geval, te voldoen aan het eerste of het tweede lid. (Ord. 20.07.2006, B.S. 29.08.2006)]
[De burgemeester kan (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] buiten de [Belgische (W. 27.1.1999, B.S. 30.1.1999)] verkozenen voor de raad benoemd worden uit de [Belgische (W. 27.1.1999, B.S. 30.1.1999)] gemeenteraadskiezers die volle vijfen¬twintig jaar oud zijn.
[Wat de gemeenten Komen-Waasten en Voeren betreft wordt het in het vorige lid bedoelde advies verstrekt door de provinciegouverneur, op eensluidend advies van het in art. 131bis van de provinciewet bedoelde college van provinciegouverneurs (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].
De burgemeester die buiten de raad is benoemd, is in alle gevallen stemgerechtigd in het college van burgemeester en schepenen. Hij is van rechtswege voorzitter van de raad en heeft daarin een raad¬gevende stem.
Art. 14. - Bij ontstentenis of verhindering van de burgemeester wordt zijn ambt waargenomen door de eerstgekozen schepen [van Belgische nationaliteit (W. 27.1.1999, B.S. 30.1.1999)], tenzij de burgemeester zijn bevoegdheid aan een andere schepen [van Belgische nationaliteit (W. 27.1.1999, B.S. 30.1.1999)] heeft opgedragen. [In geval van ambtsbeëindiging van de burgemeester die een delegatie heeft verleend, blijft deze delegatie van kracht tot de eedaflegging van een nieuwe burgemeester. Daarna is zij van rechtswege niet meer van kracht (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].
[Wanneer, in de randgemeenten bedoeld in art. 7 van de wetten op het gebruik der talen in bestuurs¬zaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en in de gemeenten Komen-Waasten en Voeren, bij de installatie van de gemeenteraad na een algehele vernieuwing geen burgemeester is benoemd, wijst de gemeenteraad een schepen of een gemeenteraadslid [van Belgische nationaliteit (W. 27.1.1999, B.S. 30.1.1999)] aan om, in afwachting van die benoeming, het ambt van burgemeester waar te nemen (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].
[
Art. 14bis. - Als verhinderd wordt beschouwd de burgemeester die het ambt van Minister, Staats¬secretaris, lid van een Executieve of gewestelijk Staatssecretaris uitoefent, voor de periode waarin dat ambt wordt uitgeoefend.
Wordt eveneens als verhinderd beschouwd de burgemeester die als dienstplichtige zijn actieve militaire diensttijd of als gewetensbezwaarde zijn burgerdienst vervult (W. 21.3.1991, B.S. 9.4.1991)].
Afdeling 4. - De schepenen
Art. 15. -
Par 1. - [De schepenen worden door de raad onder de gemeenteraadsleden verkozen. Elke schepen wordt schriftelijk voorgedragen door minstens de meerderheid van degenen die op dezelfde lijst zijn verkozen en door minstens de meerderheid van de verkozen gemeenteraadsleden.
De schepenen worden geïnstalleerd tijdens de vergadering bedoeld in art. 2, eerste lid.
De rang van de schepenen wordt bepaald door de volgorde van voordracht.
Indien een schepen overlijdt, afziet van zijn mandaat als schepen, zijn hoedanigheid van gemeenteraadslid verliest of wordt afgezet, wordt een nieuwe kandidaat schriftelijk voorgedragen door minstens de meerderheid van degenen die op dezelfde lijst zijn verkozen en de meerderheid van de verkozenen voor de gemeenteraad, binnen twee maanden na de vacantverklaring van het mandaat.
Indien de voor het schepenambt voorgedragen kandidaat afkomstig is van een lijst die slechts twee verkozenen telt, volstaat de handtekening van één van hen om, naar gelang van het geval, te voldoen aan het eerste of het vierde lid.
Het college van burgemeester en schepenen kan pas geïnstalleerd worden als het uit minstens één man en één vrouw bestaat. Die voorwaarde geldt voor de hele zittingsperiode. (Ord. 20.7.2006, B.S. 29.8.2006)]
Par. 2. - In afwijking van par. 1 worden de schepenen van de randgemeenten bedoeld in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en van de gemeenten Komen-Waasten en Voeren rechtstreeks gekozen door de vergadering van de gemeente¬raadskiezers op de hierna volgende wijze:
De quotiënten verkregen met toepassing van art. 56 van de gemeentekieswet, gecoördineerd op 4 augustus 1932, worden in de volgorde van hun belangrijkheid gerangschikt totdat er voor alle lijsten samen zoveel quotiënten worden bereikt als er schepenen te kiezen zijn.
De verdeling over de lijsten geschiedt door aan iedere lijst zoveel schepenmandaten toe te kennen als haar stemcijfer quotiënten heeft opgeleverd, gelijk aan of hoger dan het laatst gerangschikte quotiënt.
Indien een lijst meer schepenmandaten verkrijgt dan zij kandidaten telt, worden de niet toegekende mandaten gevoegd bij die welke aan de overige lijsten toekomen; de verdeling over deze lijsten geschiedt door voortzetting van de in het eerste lid van art. 56 van de gemeentekieswet omschreven bewerking, zodat voor ieder nieuw quotiënt een mandaat wordt toegekend aan de lijst waartoe het behoort.
Het mandaat van schepen wordt toegewezen aan de tot raadslid gekozen kandidaten in de volgorde van hun verkiezing.
De rang van de schepenen wordt bepaald door de volgorde van de toewijzing van het mandaat.
De regels betreffende de ontslagneming als raadslid zijn mede van toepassing op de ontslagneming als schepen.
Wanneer een vacature ontstaat, wordt het mandaat van schepen toegewezen aan een raadslid van dezelfde lijst als die van de te vervangen schepen overeenkomstig de bepalingen vastgesteld in het vijfde lid (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].
[In de gevallen van verhindering bedoeld in art. 18 wordt de verhinderde schepen gedurende de periode van verhindering vervangen door een raadslid aangewezen overeenkomstig het achtste lid (W. 21.3.1991, B.S. 9.4.1991)].
Art. 16. - Er zijn 2 schepenen in de gemeenten van minder dan 1.000 inwoners;
3 schepenen in die van 1.000 tot 4.999 inwoners;
4 schepenen in die van 5.000 tot 9.999 inwoners;
5 schepenen in die van 10.000 tot 19.999 inwoners;
6 schepenen in die van 20.000 tot 29.999 inwoners;
7 schepenen in die van 30.000 tot 49.999 inwoners;
8 schepenen in die van 50.000 tot 99.999 inwoners;
9 schepenen in die van 100.000 tot 199.999 inwoners;
10 schepenen in die van 200.000 inwoners en daarboven.
Art. 17. - [Bij ontstentenis of verhindering van een schepen wordt deze vervangen door het gemeenteraadslid dat de eerste plaats bekleedt op de ranglijst, en zo vervolgens, behoudens de onverenigbaarheden in art. 72.
De ranglijst wordt opgemaakt naar de dienstouderdom van de raadsleden, te rekenen van de dag van hun eerste ambtsaanvaarding, en, bij gelijke dienstouderdom, naar het aantal stemmen verkregen bij de laatste verkiezing (W. 21.3.1991, B.S. 9.4.1991)].
Art. 18. - [Als verhinderd wordt beschouwd de schepen die het ambt van Minister, Staatssecretaris, lid van een Executieve of gewestelijk Staatssecretaris uitoefent, voor de periode waarin dat ambt wordt uitgeoefend.
De schepen die verhinderd is wegens de vervulling van zijn actieve militaire diensttijd of van zijn burgerdienst als gewetensbezwaarde, wordt, op zijn schriftelijk verzoek gericht aan het college van burgemeester en schepenen, gedurende die periode vervangen.
De schepen die een ouderschapsverlof wenst te nemen wegens de geboorte of de adoptie van een kind, wordt op zijn schriftelijk verzoek, gericht aan het college van burgemeester en schepenen, vervangen voor de periode zoals bepaald in art. 11.
[De schepen die de krachtens art. 14bis als verhinderd beschouwde burgemeester vervangt, wordt, op verzoek van het college van burgemeester en schepenen, vervangen voor de periode dat die schepen de burgemeester vervangt (W. 29.6.1992, B.S.21.7.1992)].
[De verhinderde schepen bedoeld in het 1e, 2e, 3e en 4e lid (W. 29.6.1992, B.S. 21.7.1992)], wordt, in afwijking van art. 17, vervangen door een raadslid aangewezen door de gemeenteraad overeen¬komstig art. 15, par. 1, onverminderd art. 15, par. 2, negende lid, en art. 279, 3e lid (W. 21.3.1991, B.S. 9.4.1991)].
[Afdeling 4bis. - Akte van voordracht van de burgemeester en schepenen
(ord. 20.7.2006, B.S. 29.8.2006)]
[
Art. 18bis. - De akten van voordrachten moeten neergelegd worden in handen van de gemeentesecretaris, die de ontvangst ervan bevestigt. Ze moeten in overeenstemming zijn met de regels vervat in art. 13, eerste lid, en in art. 15, par. 1. De akten van voordracht kunnen neergelegd worden zodra de uitslag is bekendgemaakt.
De gemeentesecretaris bezorgt de akte van voordracht van de burgemeester aan de regering en de verschillende akten van voordracht van de schepenen aan de voorzitter van de gemeenteraad uiterlijk drie dagen vóór de vergadering van de gemeenteraad waarop de verkiezing van de schepenen geagendeerd is. Niemand mag verschillende akten van voordracht voor eenzelfde functie ondertekenen. Alleen de akte van voordracht van een kandidaat voor een ambt van schepen of burgemeester die het eerst bij de gemeentesecretaris is ingediend, is ontvankelijk (Ord. 20.07.2006, B.S. 29.08.2006)].
Afdeling 5. - Wedde en ambtskledij van de burgemeesters en schepenen
Art. 19. -
Par. 1. - [De wedden van de burgemeesters worden vastgesteld door toepassing van de volgende coëfficiënten op het hoogste bedrag uit de in art. 28 vastgestelde weddenschaal van de gemeentesecretaris van de betrokken gemeente :
1° gemeenten van 5.000 inwoners en minder : 73,52941 %;
2° gemeenten van 5.001 tot 10.000 inwoners : 78,43137 %;
3° gemeenten van 10.001 tot 20.000 inwoners : 83,33333 %;
4° gemeenten van 20.001 tot 50.000 inwoners : 93,13725 %;
5° gemeenten van 50.001 tot 80.000 inwoners : 102,94118 %;
6° gemeenten van meer dan 80.000 inwoners : 117,64706 %
(Ord. 9.3.2006, B.S. 23.3.2006)].
De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de wedden van de burgemeesters van gemeenten tot 80.000 inwoners vermeerderen, zonder dat deze vermeerdering evenwel voor gevolg kan hebben dat deze wedden meer zouden bedragen dan 120 % van het hoogste bedrag uit de in art. 28 vastgestelde weddenschaal van de gemeentesecretaris van de betrokken gemeente.
De wedden, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden verhoogd of verlaagd overeenkomstig de voor de wedde van de gemeentesecretaris geldende regels van de koppeling aan het indexcijfer.
De wedden van de schepenen worden vastgesteld op 60 % of 75 % van die van de burgemeester van de betrokken gemeente, naargelang de bevolking van de gemeente lager of gelijk aan, dan wel hoger dan 50.000 inwoners is (W. 4.5.1999, B.S. 28.7.1999)].
[Het bevolkingscijfer van de gemeenten die krachtens art. 29 bij een hogere klasse zijn ingedeeld, wordt geacht gelijk te zijn aan het rekenkundig gemiddelde van de nieuwe klasse (W. 14.5.2000, B.S. 31.5.2000)]
De [Brusselse Hoofdstedelijke Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] bepaalt de wijze van betaling van die wedden.
[Wanneer het vaststellen van de wedden [overeenkomstig de vorige leden (W. 4.5.1999, B.S. 28.7.1999)] tot gevolg heeft dat andere wettelijke of reglementaire bezoldigingen, vergoedingen of toelagen verminderd worden of vervallen, kan de [Brusselse Hoofdstedelijke Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)], op de door hem te bepalen wijze, de wedde van de burgemeester of van de schepen verminderen, op voorwaarde dat deze daarom verzoekt (W. 28.12.1989, B.S. 12.1.1990)].
[In gemeenten met minder dan 50.000 inwoners kan de gemeente, op de door de [Brusselse Hoofdstedelijke Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] te bepalen wijze, de wedde van de burgemeester of van de schepen die geniet van wettelijke of reglementaire bezoldigingen, pensioenen, vergoedingen of toelagen, aanvullen met een bedrag ter compensatie van het inkomensverlies dat betrokkene lijdt, op voorwaarde dat de mandataris daar zelf om verzoekt.
De wedden van de burgermeester of schepen, aangevuld met het bedrag ter compensatie van het inkomensverlies, kan nooit hoger zijn dan de wedde respectievelijk van een burgemeester of schepen van een gemeente met 50.000 inwoners (W. 4.5.1999, B.S. 28.7.1999)].
[
Par. 1bis. - Het vakantiegeld en de eindejaarspremie van de burgemeesters en schepenen worden door de [Brusselse Hoofdstedelijke Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] vastgesteld (W. 4.5.1999, B.S. 28.7.1999)].
Par. 2. - In voorkomend geval stelt de [Brusselse Hoofdstedelijke Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] aanvullende regels tot vrijwaring van de verkregen rechten van de burgemeester en de schepenen die hun ambt uiterlijk op 1 juni 1976 uitoefenen.
Par. 3. - De burgemeesters en de schepenen mogen, buiten die wedde, geen bijkomende verdiensten genieten ten laste van de gemeente, om welke reden of onder welke benaming ook.
[
Par 4. Indien de burgemeesters en schepenen niet zijn onderworpen aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders ingevolge hun activiteit als werknemer of aan het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen ingevolge hun activiteit als zelfstandigen, en indien ze zonder de toepassing van de huidige bepaling enkel prestaties inzake geneeskundige verzorging zouden genieten mits betaling van bijkomende persoonlijke bijdragen, worden ze door de gemeente onderworpen aan de regelingen van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, werkloosheidsuitkeringen en de gezinsbijslag bedoeld bij art. 5, a), b), e) en f), van voornoemde wet van 27 juni 1969.
[Worden eveneens onderworpen aan de bovenvermelde stelsels, de burgemeesters en schepenen onderworpen aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders of aan het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, indien ze zonder de toepassing van de huidige bepaling enkel prestaties inzake verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging zouden genieten mits betaling van bijkomende persoonlijke bijdragen (W. 24.12.2002, B.S. 31.12.2002)].
[De werknemers- en werkgeversbijdragen bedoeld bij art. 38, par. 2, 2°, 3°, 4° en par. 3, 2°, 3° en 4°, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers en bij art. 18 van het koninklijk besluit van 25 oktober 1985 tot uitvoering van hoofdstuk 1, afdeling 1, van de wet van 1 augustus 1985 houdende sociale bepalingen berekend op het bedrag van hun volledige wedde worden aangegeven en betaald aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid van de provinciale en plaatselijke overheidsdiensten (W. 23.3.2001, B.S. 5.4.2001)].
Indien de burgemeesters en de schepenen alsmede de gewezen burgemeesters en schepenen na de beëindiging van hun politiek mandaat enkel prestaties krachtens de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging [kunnen genieten (W. 23.3.2001, B.S. 5.4.2001)] dan met toepassing van het art. 32, 15° van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, neemt de gemeente waar ze laatst dit mandaat hebben uitgeoefend de krachtens die bepaling verschuldigde persoonlijke bijdragen ten laste.
De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de uitvoeringsmodaliteiten van deze bepaling. (W. 12.8.2000, B.S. 31.8.2000)]
Art. 20. - Wanneer een schepen de burgemeester gedurende één maand of langer vervangt, wordt hem de aan het burgemeestersambt verbonden wedde toegekend, tenzij de vervangen burgemeester verhinderd is wegens ziekte of vervulling van een niet bezoldigde openbare dienst. De waarnemende schepen mag niet tegelijk de wedde van burgemeester en die van schepen ontvangen.
Hetzelfde geldt wanneer een gemeenteraadslid gedurende een maand of langer het ambt van schepen waarneemt; in dat geval wordt de aan dit ambt verbonden wedde hem toegekend voor de gehele tijd dat hij het waarneemt.
[In de gevallen van verhindering bedoeld in de art. 14bis en 18 wordt de aan het ambt verbonden wedde toegekend aan diegene die de verhinderde burgemeester of schepen vervangt; de verhinderde burgemeester of schepen ontvangt geen wedde voor de periode van verhindering (W. 21.3.1991, B.S. 9.4.1991)].
[
Art. 20bis. - De som van de wedde van burgemeester of schepen en van de vergoedingen, wedden en presentiegelden, ontvangen als bezoldiging voor de door de burgemeester of schepen naast zijn mandaat uitgeoefende activiteiten, is gelijk aan of lager dan anderhalve maal het bedrag van de parlementaire vergoeding van de leden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en van de Senaat.
Voor de berekening van dat bedrag komen in aanmerking de vergoedingen, de wedden of de presentiegelden voortvloeiend uit de uitoefening van een openbaar mandaat, een openbare functie of een openbaar ambt van politieke aard.
Zo het in het eerste lid vastgestelde plafond wordt overgeschreden, wordt de som van de in het voorgaande lid bedoelde vergoedingen, wedden of presentiegelden die voortvloeien uit de uitoefening van een openbaar mandaat, een openbare functie of een openbaar ambt van politieke aard, verminderd tot het passende beloop.
Nemen de naast het mandaat van burgemeester of schepen uitgeoefende activiteiten een aanvang of een einde tijdens de duur van voornoemd mandaat, dan brengt de betrokken burgemeester of schepen de gemeenteraad daarvan op de hoogte (W. 4.5.1999, B.S. 28.7.1999)].
Art. 21. - De [Brusselse Hoofdstedelijke Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] bepaalt de ambtskledij of het onderscheidingsteken van de burgemeesters en de schepenen.
Afdeling 6. - Ontslag als raadslid of schepen
Art. 22. - Het ontslag als raadslid of schepen wordt schriftelijk ingediend bij de gemeenteraad.
Hij die betwist dat hij als raadslid of schepen ontslag heeft genomen, kan beroep instellen bij [het rechtscollege (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)], die uitspraak doet overeenkomstig art. 75, 2e lid, van de gemeentekieswet.
De beslissing wordt door de zorg van de [voorzitter van het rechtscollege (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] ter kennis gebracht van het betrokken raadslid of van de betrokken schepen.
De betrokkene kan bij de Raad van State beroep instellen binnen acht dagen na de kennisgeving.
[(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].
Het ontslag als burgemeester wordt ingediend bij de [Brusselse Hoofdstedelijke Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] en ter kennis gebracht van de raad.
De burgemeester die ontslag als raadslid wenst te nemen, mag dit ontslag bij de raad niet indienen dan nadat de [Brusselse Hoofdstedelijke Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] hem ontslag als burgemeester heeft verleend.
Iedere voortijdige kennisgeving aan de raad wordt als niet-bestaande beschouwd.
Afdeling 7. - De secretaris en de ontvanger
Onderafdeling 1. - Algemene bepalingen
Art. 23. - Er is in elke gemeente een secretaris en een ontvanger.
Art. 24. - [(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].
Onderafdeling 2. - De secretaris
A. Benoeming
Art. 25. - [Par. 1. - De secretaris wordt door de gemeenteraad benoemd, met inachtneming van de voorwaarden bepaald overeenkomstig art. 145 [of aangewezen in een mandaat overeenkomstig art. 69 (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].
De benoeming geschiedt binnen zes maanden na het openvallen van de betrekking.
[
Par. 1bis. - De gemeenteraad kan een secretaris buiten kader benoemen zes maanden vóór de voorzienbare datum waarop de betrekking vacant zal worden. De buiten kader benoemde secretaris treedt in functie op de dag van de beëindiging van het ambt van de aftredende secretaris. In de tussentijd staat hij laatstgenoemde bij in zijn ambt (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].
Par. 2. - Vooraleer in functie te treden legt de secretaris de eed, bedoeld in art. 80, af, tijdens een openbare vergadering van de gemeenteraad, in handen van de voorzitter.
Daarvan wordt proces-verbaal opgemaakt.
De secretaris die zonder wettige reden de eed niet aflegt, na daartoe bij een ter post aangetekend schrijven uitgenodigd te zijn voor de eerstvolgende vergadering van de gemeenteraad, wordt geacht te verzaken aan zijn benoeming (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)].
B. Plichten - Verbodsbepalingen
Art. 26. - [De secretaris is verplicht zich te gedragen naar de onderrichtingen die hem worden gegeven door de gemeenteraad, het college van burgemeester en schepenen of de burgemeester, al naar gelang hun respectieve bevoegdheden (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)].
[
Art. 26bis. -
Par 1. - De secretaris oefent in ieder geval de volgende bevoegdheden uit :
1° de algemene directie van de gemeentelijke diensten, waarvan hij voor de goede werking en de coordinatie zorgt;
2° de leiding en het dagelijkse beheer van het personeel;
3° het voorzitterschap van het directiecomité;
4° het opstellen van ontwerpen van organogram, van opleidingsplannen voor het personeel en van arbeidsreglementen voor het personeel;
5° de voorbereiding en de uitvoering, onder meer in het directiecomité, van de beleidshoofdlijnen vervat in de oriëntatienota bedoeld in art. 242bis ;
6° de voorbereiding van de dossiers die aan de gemeenteraad en aan het college worden voorgelegd;
7° de redactie van de notulen van de vergaderingen van de gemeenteraad en van het college, die hij bijwoont;
8° de medeondertekening van alle officiële stukken uitgaande van het gemeentebestuur, onder meer van de briefwisseling;
9° het verstrekken van juridische en administratieve adviezen aan de gemeenteraad en aan het college, onder meer in verband met de naleving van de wetten;
10° het instellen en het opvolgen van het intern controlesysteem, zoals bedoeld in titel VIbis .
Par. 2. - Ten minste na iedere goedkeuring van het driejarig plan bedoeld in art. 242bis , sluit de gemeentesecretaris, mede namens het directiecomité, een afsprakennota met het college over de wijze waarop hij, het directiecomité, de gemeenteraad en het college zullen samenwerken om de beleidsdoelstellingen te realiseren, en over de omgangsvormen tussen het college en het bestuur.
In deze afsprakennota wordt bepaald op welke wijze de secretaris de bevoegdheden uitoefent die hem werden gedelegeerd (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].
Art. 27. - Het is de secretaris verboden handel te drijven, ook door een tussenpersoon.
Aan op 1 januari 1955 bestaande toestanden, behalve wat drankslijterijen betreft, zal echter niet worden geraakt.
C. Bezoldigingsregeling
Art. 28. - [
Par. 1. - [De gemeenteraad bepaalt de weddeschaal van de secretaris, binnen de hierna gestelde minimum- en maximumgrenzen:
1. gemeenten van minder dan 25 001 inwoners : van 34.144,50 euro tot 50.266,62 euro ;
2. gemeenten van 25 001 tot 35 000 inwoners : van 36.273,24 euro tot 53.567,34 euro ;
3. gemeenten van 35 001 tot 50 000 inwoners : van 38.484,60 euro tot 56.701,80 euro ;
4. gemeenten van 50 001 tot 80 000 inwoners : van 41.141,70 euro tot 60.167,76 euro ;
5. gemeenten van 80 001 tot 150 000 inwoners : van 43.567,26 euro tot 63.468,48 euro ;
6. gemeenten van meer dan 150 000 inwoners : van 47.246,40 euro tot 68.418,54 euro
(Ord. 9.3.2006, B.S. 23.3.2006)].
De minimum- en maximumbedragen van de weddeschalen van de secretaris worden gekoppeld aan de spilindex 138,01.
[(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].
[
Par. 2. - Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied, de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en de gemeenten Komen-Waasten en Voeren, worden de beslissingen over de in par. 1 bedoelde aangelegenheid onderworpen aan de goedkeuring van de provinciegouverneur.
Par. 3. - Voor de gemeenten Komen-Waasten en Voeren oefent de provinciegouverneur de in par. 2 vermelde bevoegdheden uit overeenkomstig de art. 267 tot en met 269 (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].
Art. 29. - [(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].
Art. 30. - [De secretaris heeft recht op tweejaarlijkse verhogingen die ingaan op de eerste van de maand die volgt op de verjaardag avn de indiensttreding. De weddeverhogingen mogen niet gespreid worden over minder dan vijftien jaar (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].
Art. 31. - Bij de minimumwedde van de secretaris komt een verhoging wegens de anciënniteit die hij verkregen heeft in betrekkingen bij de Staat, de kolonie, de gemeenten, de provincies en andere openbare diensten door de Koning aangewezen. Die verhoging wordt berekend volgens door de [Brusselse Hoofdstedelijke Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] te stellen regels.
Art. 32. - De gemeenten zijn gehouden de voor het personeel van de ministeries geldende bepalingen inzake anciënniteitsbijslag, voorgeschreven bij art. 13 van de wet van 3 augustus 1919 en 27 mei 1947, en inzake jaarlijkse vakantie, op de secretaris toe te passen.
Art. 33. - [(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].
Art. 34. - De wedde van de secretaris dekt alle dienstverrichtingen waartoe hij normaal kan gehouden zijn [(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].
Art. 35. - De wedde van de vastbenoemde secretaris [en van de bij mandaat aangestelde secretaris (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)] wordt per maand en vooruit betaald. Zij gaat in op de dag van de indiensttreding. Treedt een secretaris in de loop van een maand in dienst, dan ontvangt hij voor die maand zoveel dertigsten van de wedde als er nog dagen overblijven vanaf de dag der indiensttreding, deze dag inbegrepen. Wanneer zijn ambt een einde neemt, wordt de begonnen maand volledig betaald.
D. [Sanctie op het verbod handel te drijven (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)]
Art. 36 en 37. - [(...) (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)].
Art. 38. - [De gemeenteraad legt een tuchtstraf op aan de secretaris die art. 27 overtreedt. (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)].
Art. 39. - [(...) (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)].
Art. 40. - [
Par. 1. - Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied en de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, wordt de straf, [als de gemeenteraad geen tuchtstraf oplegt aan de secretaris die art. 27 overtreedt (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)], ambtshalve opgelegd door de provinciegouverneur, op eensluidend advies van de bestendige deputatie van de provincieraad, na twee opeenvolgende uit de brief¬wisseling blijkende waarschuwingen.
Par. 2. - Bij ontstentenis van een eensluidend advies van de bestendige deputatie kan de gouverneur beroep instellen bij de Koning, als het gaat om een gemeente van het Duitse taalgebied, en bij de Gewestexecutieve, als het gaat om een van de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.
Par. 3. - De Koning, of de Gewestexecutieve, naargelang van het geval, neemt binnen twee maanden de beslissing over het beroep van de gouverneur; die termijn kan telkens bij een met redenen omklede beslissing met een maand worden verlengd.
De beslissing over het beroep wordt met redenen omkleed (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].
Art. 41. - [Voor de gemeenten Komen-Waasten en Voeren wordt de straf, [als de gemeenteraad geen tuchtstraf oplegt aan de secretaris die art. 27 overtreedt (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)], na twee opeenvolgende uit de briefwisseling blijkende waarschuwingen, ambtshalve opgelegd door de provinciegouverneur, die zijn bevoegdheden uitoefent overeenkomstig de art. 267 tot en met 269 (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].
E. De adjunct-secretaris
Art. 42. - In de gemeenten van meer dan [60.000 (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)] inwoners kan de gemeenteraad aan de secretaris een ambtenaar toevoegen, die de titel van adjunct-secretaris voert.
Art. 43. - [De art. 25 en 38 tot en met 41 zijn toepasselijk op de adjunct-secretaris (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)].
Art. 44. - [De adjunct-secretaris staat de secretaris ter zijde bij de uitoefening van zijn ambt.
Hij vervult van ambtswege alle taken van de secretaris wanneer deze afwezig of verhinderd is (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)].
Art. 45 en 46. - [(...) (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)].
Art. 47. -
Par. 1. - De wedde van de adjunct-secretaris wordt door de gemeenteraad vastgesteld.
Die wedde moet lager blijven dan die welke voor de secretaris vastgesteld is.
Par. 2. - Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied, de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en de gemeenten Komen-Waasten en Voeren, worden de beslissingen over de in par. 1 bedoelde aangelegenheid onderworpen aan dezelfde goedkeuringen als die m.b.t. de secretaris (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989).
Art. 48 en 49. - [(...) (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)].
F. [De waarnemende secretaris (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)]
Art. 50. - [Onverminderd de toepassing van de bepalingen van art. 44, stelt de gemeenteraad, bij verhindering van de secretaris of bij vacature van het ambt, een waarnemende secretaris aan (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)]. In spoedeisende gevallen wordt de aanstelling door het college van burgemeester en schepenen gedaan en door de raad in zijn eerstvolgende vergadering bekrachtigd.
Art. 51. - De [waarnemende secretaris (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)] geniet voor iedere dag dienst een wedde gelijk aan één driehonderdste van de gemiddelde jaarwedde aan het ambt verbonden, behalve indien hij uit het gemeentepersoneel wordt gekozen. In dit laatste geval ontvangt hij, indien hij het ambt gedurende meer dan een maand waarneemt, een vergoeding berekend volgens door de [Brusselse Hoofdstedelijke Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] te stellen regels.
Onderafdeling 3. - De ontvanger
A. Algemene bepaling
Art. 52. - [(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].
B. Benoeming
Art. 53. - [
Par. 1. - De plaatselijke ontvanger wordt door de gemeenteraad benoemd, met inachtneming van de voorwaarden bepaald overeenkomstig art. 145 of aangesteld in een mandaat overeenkomstig art. 69 (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].
De benoeming geschiedt binnen zes maanden na het openvallen van de betrekking.
Par. 2. - Vooraleer in functie te treden legt de plaatselijke ontvanger de eed, bedoeld in art. 80, af, tijdens een openbare vergadering van de gemeenteraad, in handen van de voorzitter.
Daarvan wordt proces-verbaal opgemaakt.
De ontvanger die zonder wettige reden de eed niet aflegt, na daartoe bij een ter post aangetekend schrijven uitgenodigd te zijn voor de eerstvolgende vergadering van de gemeenteraad, wordt geacht te verzaken aan zijn benoeming.
Par. 3. - De plaatselijke ontvanger staat onder het gezag van het college van burgemeester en schepenen.
Par. 4. - In geval van gewettigde afwezigheid kan de plaatselijke ontvanger, onder zijn eigen verant¬woordelijkheid, binnen drie dagen voorzien in zijn vervanging en te dien einde, voor een periode van maximum dertig dagen, een door het college van burgemeester en schepenen erkende plaats¬vervanger aanstellen. Die maatregel kan voor een zelfde afwezigheid tweemaal worden verlengd.
In alle andere gevallen kan de gemeenteraad een waarnemende plaatselijke ontvanger aanstellen.
Hij is daartoe verplicht wanneer de afwezigheid een termijn van drie maanden overschrijdt.
De waarnemende plaatselijke ontvanger moet voldoen aan de voorwaarden vereist voor het uitoefenen van het ambt van plaatselijke ontvanger. De bepalingen van par. 2 en van de art. 55 tot 64 zijn mede op hem van toepassing.
De waarnemende plaatselijke ontvanger oefent alle bevoegdheden uit van de plaatselijke ontvanger.
Bij zijn ambtsaanvaarding en zijn ambtsneerlegging wordt een eindrekening opgemaakt en worden de kas en de boeken overgedragen, onder toezicht van het college van burgemeester en schepenen (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)].
Art. 54. - [(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].
[Art. 54bis. - (…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].
C. Zekerheid
Art. 55. - [De plaatselijke ontvanger is verplicht, tot waarborg van zijn beheer, een zekerheid in geld, in effecten of in de vorm van een of meerdere hypotheken te stellen.
De [Brusselse Hoofdstedelijke Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] bepaalt het minimum- en het maximumbedrag van de zekerheid, volgens de categorie van gemeenten bedoeld in art. 28, par. 1 (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)].
Art. 56. - [De gemeenteraad stelt, binnen de grenzen aangegeven in art. 55, 2e lid, en ten laatste op de vergadering tijdens welke de plaatselijke ontvanger de eed aflegt, het bedrag vast van de zekerheid welke deze moet stellen, alsmede de termijn waarover hij daartoe beschikt.
De zekerheid wordt bij de Deposito- en Consignatiekas gedeponeerd; de interest die zij opbrengt komt aan de ontvanger toe (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)].
Art. 57. - [(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].
Art. 58. - [De akten van zekerheidsstelling worden, zonder kosten voor de gemeente, voor de burgemeester verleden.
Indien er registratierechten verschuldigd zijn, worden deze herleid tot het algemeen vast recht en zijn zij ten laste van de ontvanger (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)].
Art. 59. - [De ontvanger mag de zekerheidsstelling vervangen door de hoofdelijke borgstelling van een vereniging, die bij [besluit van de Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] erkend is.
Deze moet de vorm van een coöperatieve vennootschap aannemen en zich gedragen naar de voorschriften van boek I, titel IX, afd. 7, van het Wetboek van Koophandel; zij behoudt niettemin haar burgerlijk karakter.
Het besluit tot erkenning van de vereniging alsmede de goedgekeurde statuten, worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
De vereniging kan de kas en de boekhouding controleren van de ontvanger voor wie zij zich borg heeft gesteld, mits het college van burgemeester en schepenen instemt met de contractuele bepalingen waarbij dit recht wordt gevestigd en met de wijze waarop dit recht wordt uitgeoefend (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)].
[De ontvanger mag de zekerheidstelling tevens vervangen door een bankwaarborg of verzekering, die beantwoordt aan de door de [Brusselse Hoofdstedelijke Regering (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] bepaalde voorwaarden (W. 10.2.2000, B.S. 29.3.2000)].
Art. 60. - [(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].
Art. 61. - Wanneer de door de bevoegde overheid bepaalde zekerheid wegens toeneming van de jaarlijkse ontvangsten of om enige andere reden ontoereikend wordt geacht, moet de ontvanger binnen een beperkte tijd een aanvullende zekerheid verschaffen, ten aanzien waarvan dezelfde regels gelden als voor de eerste.
Art. 62. - Het college van burgemeester en schepenen, wat de plaatselijke ontvangers betreft, en de provinciegouverneur, wat de gewestelijke ontvangers betreft, zorgen dat de zekerheid van de rekenplichtigen der gemeente werkelijk gesteld en te bekwamer tijd vernieuwd wordt.
Art. 63. - De ontvanger die zijn zekerheid of aanvullende zekerheid niet binnen de voorgeschreven termijn verschaft en dit verzuim niet voldoende verantwoordt, wordt geacht ontslag te nemen en wordt vervangen.
[Alle kosten betreffende de vestiging der zekerheid vallen ten laste van de ontvanger (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)].
Art. 64. - Is er een tekort in de gemeentekas, dan heeft de gemeente een voorrecht op de zekerheid van de plaatselijke ontvanger en de Staat op die van de gewestelijke ontvanger, wanneer de zekerheid in geld gesteld is.
D. Bezoldigingsregeling
Art. 65. - [
Par. 1. - De gemeenteraad stelt de weddeschaal van de ontvanger vast. Die weddeschaal bedraagt 97,5 % van de voor de gemeentesecretaris van dezelfde gemeente geldende schaal. De bedragen in deze weddeschaal worden gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01 (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)]
[(...) (W. 15.12.1993, B.S. 11.1.1994)].
De bepalingen van de art. 30 tot 35 zijn mutatis mutandis van toepassing op de gemeenteontvangers (W. 18.3.1991, B.S. 19.4.1991)].
[
Par. 2. - Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied, de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en de gemeente Komen-Waasten en Voeren, worden de beslissingen over de in par. 1 bedoelde aangelegenheid onderworpen aan de goedkeuring van de provinciegouverneur.
Par. 3. - Voor de gemeenten Komen-Waasten en Voeren oefent de gouverneur de in par. 2 bedoelde bevoegdheden uit, overeenkomstig de art. 267 tot en met 269 (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].
Art. 66. - Art. 29 is toepasselijk op de plaatselijke ontvanger.
Art. 67. - [(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].
Art. 68. - [
Par. 1. - Het is de plaatselijke ontvanger verboden handel te drijven, ook door een tussenpersoon.
De gemeenteraad legt een tuchtstraf op aan de plaatselijke ontvanger die het in het 1e lid bedoelde verbod overtreedt.
Par. 2. - Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied en de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, is art. 40 van toepassing op de plaatselijke ontvanger.
Par. 3. - Voor de gemeenten Komen-Waasten en Voeren, is art. 41 van toepassing op de plaatselijke ontvanger (W. 24.5.1991, B.S. 6.6.1991)].
[Onderafdeling 4. - De regeling van de mandaten (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].
Art. 69. - [
Par. 1. - De gemeenteraad kan de bedieningen van secretaris en van ontvanger bij mandaat begeven.
In dit geval legt de gemeenteraad de doelstellingen vast die tijdens het mandaat moeten worden bereikt alsook de voorwaarden en de procedure voor de aanwerving van de mandaathouder.
De duur van het mandaat is vastgesteld op achtjaar. Om bij mandaat begeven te worden, moet de bediening van secretaris of van ontvanger vooraf vacant worden verklaard.
Par. 2. - De mandaathouder wordt onderworpen aan een evaluatie. De evaluatie heeft tot doel na te gaan in hoeverre de doeleinden die vastgelegd werden bij het begeven van het mandaat bereikt of in verwezenlijking zijn.
Met het oog hierop stelt de mandaathouder na afloop van elke evaluatieperiode een verslag op over zijn werkzaamheden. De gemeenteraad neemt kennis van dit verslag en nodigt de mandaathouder uit voor een evaluatiegesprek.
De vermelding « gunstig » wordt toegekend aan de mandaathouder wanneer deze de doelstellingen die hem bij het begin van zijn mandaat werden opgedragen, heeft bereikt.
De vermelding « voldoende » wordt toegekend aan de mandaathouder wanneer hij de doelstellingen gedeeltelijk heeft bereikt.
De vermelding « ongunstig » wordt toegekend aan de mandaathouder wanneer de doelstellingen niet of in zeer geringe mate zijn verwezenlijkt.
In zijn evaluatie moet de gemeenteraad rekening houden met onvoorziene omstandigheden of omstandigheden buiten de wil van de mandaathouder die de gehele of gedeeltelijke verwezenlijking van de vastgestelde doeleinden onmogelijk hebben gemaakt.
De evaluatie wordt aan de mandaathouder meegedeeld bij aangetekend schrijven.
Par. 3. - Een eerste evaluatie heeft plaats drie jaar na het begin van het mandaat.
Indien de mandaathouder de vermelding « ongunstig » krijgt, wordt een bijkomende evaluatie gehouden zes maanden na deze eerste evaluatie. Als de bijkomende evaluatie van de mandaathouder eveneens ongunstig is, wordt zijn mandaat definitief beëindigd en kan hij niet deelnemen aan een nieuwe aanstellingsprocedure voor het mandaat dat hij bekleedt.
Par. 4. - Een tweede evaluatie vindt plaats zes maanden vóór het einde van het mandaat.
Indien de mandaathouder de vermelding « gunstig » krijgt, verlengt de gemeenteraad zijn mandaat en legt nieuwe te bereiken doeleinden vast.
Indien de mandaathouder de vermelding « voldoende » krijgt, wordt zijn mandaat niet verlengd, maar kan hij deelnemen aan de nieuwe aanstellingsprocedure voor het mandaat dat hij bekleedt.
Indien de mandaathouder de vermelding « ongunstig » krijgt, wordt zijn mandaat definitief beëindigd en kan hij niet deelnemen aan de nieuwe aanstellingsprocedure voor het mandaat dat hij bekleedt (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].
[Onderafdeling 5. - De evaluatie (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].
Art. 70. - [
Par 1. - Wanneer de secretaris en de ontvanger door de gemeenteraad worden benoemd op de voorwaarden bepaald conform art. 145, worden ze onderworpen aan een evaluatie.
De evaluatie heeft tot doel onafgebroken de manier te beoordelen waarop de secretaris en de ontvanger hun werk verrichten.
Par. 2. - De evaluatie heeft om de twee jaar plaats. De periode tussen twee evaluaties wordt de evaluatieperiode genoemd.
Tijdens de eerste twee maanden van elke evaluatieperiode heeft het college een functioneringsgesprek met het betrokken personeelslid waarbij de doelstellingen worden bepaald die moeten worden behaald alsook de elementen waarop het personeelslid zal worden beoordeeld. Deze hebben betrekking op :
1° de kwaliteit van het werk;
2° de snelheid van het werk;
3° de werkmethoden die moeten worden toegepast;
4° de werkhouding die moet worden aangenomen.
Binnen de maand die volgt op het gesprek stelt het college een verslag op van het functioneringsgesprek. Dit verslag wordt ondertekend door het betrokken personeelslid en is het eerste stuk van het evaluatiedossier.
In de loop van elke evaluatieperiode kan het college aan het evaluatiedossier gunstige of ongunstige vaststellingen toevoegen die verband houden met de doelstellingen en de elementen inzake evaluatie bepaald in het tweede lid. Deze vaststellingen worden ter kennis van het personeelslid gebracht, die er zijn eventuele opmerkingen kan aan toevoegen. Het personeelslid kan het college verzoeken een document met een gunstige beoordeling inzake de uitvoering van zijn werk toe te voegen aan zijn evaluatiedossier.
Op zijn vroegst vier maanden en uiterlijk twee maanden vóór het einde van elke evaluatieperiode heeft de gemeenteraad met het betrokken personeelslid een evaluatiegesprek over de uitvoering van de doelstellingen en de elementen bedoeld in het tweede lid.
Binnen de maand die volgt op het evaluatiegesprek, stelt de gemeenteraad een evaluatieverslag op waarbij rekening wordt gehouden met het dossier en het evaluatiegesprek. Dit verslag kan het betrokken personeelslid de vermelding « gunstig » of « ongunstig » met de bijbehorende motivering opleveren. Het wordt ondertekend door het betrokken personeelslid.
Par. 3. - Als het personeelslid de vermelding « ongunstig » krijgt, is dat niet definitief. Binnen de maand heeft een nieuw gesprek plaats tussen het personeelslid en de gemeenteraad. Na dit onderhoud wordt de definitieve evaluatie binnen tien dagen bezorgd aan het betrokken personeelslid met een ontvangstbewijs of via een aangetekend schrijven.
Par. 4. - In geval van een ongunstige evaluatie verliest het betrokken personeelslid het recht op iedere volgende tweejaarlijkse loonsverhoging bedoeld in artikel 30 en dit tot aan de volgende gunstige evaluatie (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].
[Afdeling 7bis. - De humanresourcesmanager (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)]
[A. De benoeming (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].
[
Art. 70bis. - Er is in iedere gemeente een humanresourcesmanager. Hij wordt door de gemeenteraad benoemd, met inachtneming van de voorwaarden bepaald overeenkomstig artikel 145, binnen zes maanden na de vacantverklaring van de betrekking (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].
[B. De plichten (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].
[
Art. 70ter. - Par. 1. - De humanresourcesmanager is, onder het rechtstreekse hiërarchische gezag van de gemeentesecretaris, belast met het uitvoeren van het gemeentelijke beleid betreffende :
1° de organisatie van de wervings- en de bevorderingsprocedures van het personeel, alsmede van de examens;
2° de evaluatie van het personeel;
3° de uitwerking van een opleidingsbeleid voor het personeel;
4° de ontwikkeling van een teamgeest onder het personeel;
5° het personeelsmanagement;
6° het opstellen van een jaarverslag ten behoeve van de gemeenteraad betreffende het humanresourcesmanagement in de gemeente.
Par. 2. - De humanresourcesmanager kan door de gemeenteraad gehoord worden over elke vraag in verband met het beheer van het gemeentepersoneel (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].
[Afdeling 7ter. - Het directiecomité (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)]
[
Art. 70quater. - Het directiecomité is samengesteld uit de gemeentesecretaris, de adjunct-gemeente¬secretaris, de gemeenteontvanger, de humanresourcesmanager en elke persoon die, onder het rechtstreekse hiërarchisch gezag van de gemeentesecretaris, verantwoordelijk is voor het beheer van een gemeentelijke dienst, met dien verstande dat elke dienst slechts eenmaal wordt vertegenwoordigd in het directiecomité (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].
[
Art. 70quinquies. - Het directiecomité vergadert ten minste eenmaal per maand, op uitnodiging en onder het voorzitterschap van de gemeentesecretaris die er de agenda van vaststelt. Van elke vergadering van het directiecomité wordt een verslag opgemaakt.
Het directiecomité stelt zijn huishoudelijk reglement vast (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].
[
Art. 70sexies. - Na elke vergadering van het directiecomité deelt de gemeentesecretaris de agenda en het verslag ervan mee aan het college (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].
[
Art. 70septies. - Het directiecomité staat de secretaris bij in zijn opdracht om de werkzaamheden van de verschillende gemeentediensten onderling te coordineren. Hij zorgt voor de transversale uitvoering van de beslissingen van de gemeenteraad en van het college door de betrokken gemeentediensten (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].