Titel II : Bevoegdheden (art. 117 tot 142)
Hoofdstuk I. - Bevoegdheden van de gemeenteraad
Art. 117. - [De gemeenteraad regelt alles wat van gemeentelijk belang is; hij beraadslaagt over elk ander onderwerp dat de hogere overheid hem voorlegt.
Alleen in de gevallen bij de wet, het decreet of de ordonnantie uitdrukkelijk bepaald, moeten de besluiten van de raad door de toezichthoudende overheid worden goedgekeurd (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)].
[
Art. 118 (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)]. - De beraadslagingen worden door een onderzoek voor¬afgegaan telkens als de Regering het geraden acht of wanneer de reglementen het voorschrijven.
[(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].
[
Art. 119 (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)]. - De gemeenteraad maakt de gemeentelijke reglementen van inwendig bestuur en de gemeentelijke politieverordeningen [, met uitzondering van de tijdelijke politieverordeningen op het wegverkeer bedoeld in artikel 130bis (W. 12.1.2006, B.S. 31.1.2007; B.S. 2.2.2007, err.)].
[Die reglementen en verordeningen mogen niet in strijd zijn met de wetten, de decreten, de ordonnanties, de reglementen en de besluiten van de Staat, de Gewesten, de Gemeenschappen, de Gemeenschapscommissies [(…) (Ord. 9.3.2006, B.S. 23.3.2006)] (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].
[(…) (Ord. 9.3.2006, B.S. 23.3.2006)]
[… (W. 13.5.1999, B.S. 10.6.1999)]
Een afschrift van die reglementen en politieverordeningen wordt dadelijk toegezonden aan de griffie van de rechtbank van eerste aanleg en aan die van de politierechtbank, waar zij in een daartoe bestemd register worden ingeschreven.
[Die reglementen en verordeningen worden bekendgemaakt op de website van het Gewest (Ord. 29.5.2008, B.S. 17.6.2008)].
[… (W. 13.5.1999, B.S. 10.6.1999)]
[
Art. 119bis. -
Par. 1. - [De gemeenteraad kan straffen of administratieve sancties bepalen voor overtredingen van zijn reglementen of verordeningen, tenzij voor dezelfde overtredingen door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie straffen of administratieve sancties worden bepaald (W. 17.6.2004, B.S. 23.7.2004)].
Par. 2. - [De straffen die de gemeenteraad bepaalt, mogen de politiestraffen niet te boven gaan.
De gemeenteraad kan de volgende administratieve sancties bepalen :
1° de administratieve geldboete, met een maximum van 250 euro;
2° de administratieve schorsing van een door de gemeente afgegeven toestemming of vergunning;
3° de administratieve intrekking van een door de gemeente afgegeven toestemming of vergunning;
4° de tijdelijke of definitieve administratieve sluiting van een inrichting.
[In afwijking van par. 1 kan de gemeenteraad in zijn reglementen en verordeningen voorzien in de administratieve sanctie als bedoeld in het tweede lid, 1°, voor een strafbaar feit genoemd in boek II, titel X van het Strafwetboek en in de art. 327 tot 330, 398, 448, 461, 463, 526, [534bis, 534ter, (W. 25.1.2007, B.S. 20.2.2007)] 537, 545, 559, 1°, 561, 1°, en [563, 2° en 3°, en 563
bis (W. 1.6.2011, B.S. 13.7.2011)] van het Strafwetboek (W. 20.7.2005, B.S. 29.7.2005)].
De administratieve geldboete wordt opgelegd door de ambtenaar behorend tot één van de categorieën vastgesteld door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en die daartoe door de gemeenteraad wordt aangewezen, hierna te noemen « de ambtenaar ». Deze ambtenaar mag niet dezelfde zijn als degene die op grond van par. 6 de inbreuken vaststelt.
De in het tweede lid bedoelde schorsing, intrekking of sluiting worden opgelegd door het college van burgemeester en schepenen.
Onverminderd par. 10, tweede lid, legt de gemeenteraad de wijze vast van kennisgeving van de sanctie aan de dader van de inbreuk.
Minderjarigen die de volle leeftijd van 16 jaar hebben bereikt op het tijdstip van de feiten [, zelfs wanneer deze persoon op het ogenblik van de beoordeling van de feiten meerderjarig is geworden, (W. 20.7.2005, B.S. 29.7.2005)] kunnen gestraft worden met een administratieve geldboete bedoeld in het tweede lid, 1° In dat geval is het maximum evenwel vastgesteld op 125 euro (W. 17.6.2004, B.S. 23.7.2004)].
Par. 3. - De raad kan op dezelfde inbreuken van zijn reglementen en verordeningen niet tezelfdertijd in een strafsanctie én een administratieve sanctie voorzien, maar slechts in één van beide.
Par. 4. - De in paragraaf 2, [tweede lid (W. 17.6.2004, B.S. 23.7.2004)], 2° tot en met 4°, gestelde sancties kunnen eerst worden opgelegd nadat de overtreder voorafgaand een waarschuwing heeft ontvangen. Deze waarschuwing bevat een uittreksel van het overtreden reglement of de overtreden verordening.
Par. 5. - De administratieve sanctie is proportioneel in functie van de zwaarte van de feiten die haar verantwoorden, en in functie van eventuele herhaling.
De vaststelling van meerdere samenlopende inbreuken op hetzelfde reglement of dezelfde verordening zal het voorwerp uitmaken van één enkele administratieve sanctie, in verhouding tot de ernst van het geheel van de feiten.
Par. 6. - [De inbreuken die bestraft kunnen worden met administratieve sancties, worden door een politieambtenaar of door een hulpagent van politie vastgesteld bij proces-verbaal.
De inbreuken die uitsluitend bestraft kunnen worden met administratieve sancties, kunnen eveneens het voorwerp uitmaken van een vaststelling door de hiernavolgende personen :
1° de gemeenteambtenaren die beantwoorden aan de minimumvoorwaarden die door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad zijn bepaald inzake selectie, rekrutering, opleiding en bevoegdheid, en die daartoe door de gemeenteraad zijn aangewezen;
[In geval van een meergemeenten-politiezone, kunnen deze gemeenteambtenaren vaststellingen verrichten op het grondgebied van alle gemeenten die deel uitmaken van deze politiezone, nadat daartoe voorafgaandelijk een overeenkomst werd gesloten tussen de betrokken gemeenten (W. 20.7.2005, B.S. 29.7.2005)].
[De vaststellende gemeenteambtenaar kan het identiteitsbewijs of een ander identificatiedocument van de overtreder opvragen, zodat hij zich kan vergewissen van de juiste identiteit van deze persoon.
De identiteitscontrole is alleen maar toegelaten ten opzichte van personen waarvan de ambtenaar heeft vastgesteld dat zij feiten hebben gepleegd die aanleiding kunnen geven tot een gemeentelijke administratieve sanctie (W. 15.5.2007, B.S. 29.6.2007)].
2° ambtenaren van de vervoersmaatschappijen behorend tot één van de categorieën bepaald door de Koning.
De bewakingsagenten, daartoe aangesteld door de gemeenteraad, kunnen eveneens aangifte doen van de inbreuken die uitsluitend bestraft kunnen worden met administratieve sancties, bij de politieambtenaar of hulpagent van politie bedoeld in het eerste lid en dit enkel in het kader van de activiteiten bedoeld in art. 1, par. 1, eerste lid, 6°, van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten (W. 17.6.2004, B.S. 23.7.2004; B.S. 29.11.2004, err.)].
Par. 7. - [1° Indien de feiten zowel een inbreuk vormen op de art. 327 tot 330, 398, 448, 461, 463, 526, [534bis, 534ter, (W. 25.1.2007, B.S. 20.2.2007)] 537, 545, 559, 1°, 561, 1°, of [563, 2° en 3°, en 563
bis (W. 1.6.2011, B.S. 13.7.2011)] van het Strafwetboek, als gesanctioneerd worden met een administratieve sanctie, wordt het origineel van de vaststelling uiterlijk binnen de maand na de vaststelling toegestuurd aan de procureur des Konings. Bij gebreke hieraan kan er geen enkele administratieve sanctie worden opgelegd.
De politieambtenaar of hulpagent vermeldt op het proces-verbaal uitdrukkelijk de datum waarop het werd toegestuurd of ter hand gesteld aan de procureur des Konings. Er wordt tezelfdertijd een afschrift opgestuurd aan de ambtenaar;
2° indien de inbreuk enkel met een administratieve sanctie bestraft kan worden, wordt het origineel van de vaststelling uiterlijk binnen de maand na de vaststelling aan de ambtenaar toegestuurd. Bij gebreke hieraan kan er geen enkele administratieve sanctie worden opgelegd;
3° van de vaststellingen lastens minderjarigen voor feiten die enkel kunnen worden bestraft met een administratieve sanctie, wordt door de politiediensten of gemeenteambtenaren steeds een afschrift overgemaakt aan de procureur des Konings;
4° indien de vaststelling wordt opgesteld door een ambtenaar van een vervoersmaatschappij, wordt zij door deze toegestuurd aan de ambtenaar bevoegd voor het grondgebied van de gemeente waar de feiten zich hebben voorgedaan (W. 20.7.2005, B.S. 29.7.2005)].
Par. 8. - [Indien de inbreuk bestraft kan worden met een administratieve sanctie, bedoeld in par. 2, tweede lid, 1°, of met een straf bepaald door de art. 327 tot 330, 398, 448, 461 en 463 van het Strafwetboek, kan de ambtenaar enkel een administratieve geldboete opleggen indien de procureur des Konings binnen een termijn van twee maanden heeft laten weten dat dit volgens hem aangewezen is en dat hijzelf geen gevolg aan de feiten zal geven.
Indien de inbreuk bestraft kan worden met een administratieve sanctie bedoeld in par. 2, tweede lid, 1, of met een straf bepaald [door de art. 526, [534bis, 534ter, (W. 25.1.2007, B.S. 20.2.2007)] 537, 545, 559, 1°, 561, 1° en [563, 2° en 3°, en 563
bis (W. 1.6.2011, B.S. 13.7.2011)] van het Strafwetboek (W. 20.7.2005, B.S. 29.7.2005)], beschikt de procureur des Konings over een termijn van [twee maanden (W. 20.7.2005, B.S. 29.7.2005)], te rekenen van de dag van de ontvangst van het origineel van het proces-verbaal, om de ambtenaar in te lichten dat een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek werd opgestart, vervolging werd ingesteld, dan wel dat hij oordeelt het dossier te moeten seponeren bij gebrek aan toereikende bezwaren. Deze mededeling doet de mogelijkheid vervallen voor de ambtenaar om een administratieve geldboete op te leggen. Vóór het verstrijken van deze termijn kan de ambtenaar geen administratieve geldboete opleggen. Na het verstrijken ervan kunnen de feiten enkel nog administratiefrechtelijk worden bestraft. De ambtenaar kan evenwel een administratieve geldboete opleggen vooraleer deze termijn is verstreken indien de procureur des Konings heeft laten weten dat, zonder het materieel element van de overtreding in twijfel te trekken, hij geen gevolg aan de feiten zal geven (W. 17.6.2004, B.S. 23.7.2004)].
[ Par. 8bis. - Indien buiten de gevallen van samenloop vermeld in par. 7, een feit zowel een strafrechtelijke als een administratiefrechtelijke inbreuk vormt, dient te worden gehandeld volgens de procedures die gelden voor inbreuken bedoeld in de artikelen van boek II, titel X van het Strafwetboek en de art. 526, [534bis, 534ter, (W. 25.1.2007, B.S. 20.2.2007)] 537 en 545 van het Strafwetboek (W. 20.7.2005, B.S. 29.7.2005)].
Par. 9. - Wanneer de ambtenaar beslist dat er reden is om de administratieve procedure aan te vatten, deelt hij de overtreder door middel van een ter post aangetekend schrijven mee :
1° de feiten met betrekking tot dewelke de procedure is opgestart;
2° dat de overtreder de gelegenheid heeft, om, binnen de vijftien dagen te rekenen van de datum van kennisgeving van het aangetekend schrijven, zijn verweermiddelen uiteen te zetten bij een ter post aangetekend schrijven, en dat hij het recht heeft om bij deze gelegenheid de ambtenaar om een mondelinge verdediging van zijn zaak te verzoeken;
3° dat de overtreder het recht heeft om zich te laten bijstaan of vertegenwoordigen door een raadsman;
4° dat de overtreder het recht heeft zijn dossier te consulteren;
5° een afschrift van het in par. 6 bedoelde proces-verbaal, gevoegd als bijlage.
De ambtenaar bepaalt in voorkomend geval de dag waarop de overtreder uitgenodigd wordt de mondelinge verdediging van zijn zaak voor te dragen.
Indien de ambtenaar van oordeel is dat er een geldboete moet worden opgelegd die niet hoger is dan 2.500 frank, heeft de overtreder niet het recht om een mondelinge verdediging van zijn zaak te verzoeken.
[ Par. 9bis. - Wanneer een persoon beneden de achttien jaar ervan wordt verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd dat wordt bestraft met een administratieve geldboete, geeft de ambtenaar daarvan kennis aan de stafhouder van de orde van advocaten, zodat ervoor gezorgd wordt dat betrokkene kan worden bijgestaan door een advocaat.
De stafhouder of het bureau voor juridische bijstand gaat over tot de toewijzing van een advocaat, uiterlijk binnen twee werkdagen te rekenen van dit bericht.
Afschrift van het bericht van de kennisgeving aan de stafhouder wordt gevoegd bij het dossier van de rechtspleging.
Indien er een belangenconflict is, ziet de stafhouder of het bureau voor juridische bijstand erop toe, dat de betrokkene verdedigd wordt door een andere advocaat dan diegene op wie zijn vader en moeder, voogd of personen die hem onder hun bewaring hebben of die bekleed zijn met een vorderingsrecht, een beroep gedaan hebben (W. 17.6.2004, B.S. 23.7.2004)].
[In afwijking van par. 9, wordt het in par. 9, eerste lid, bedoelde aangetekend schrijven aan de minderjarige en aan zijn vader en moeder, zijn voogden of de personen die het gezag over hem uitoefenen, gestuurd. Deze partijen hebben dezelfde rechten als de overtreders zelf (W. 20.7.2005, B.S. 29.7.2005)].
Par. 10. - Na verloop van de termijn, vermeld in par. 9, 2°, of vóór het verstrijken van deze termijn, wanneer de overtreder te kennen geeft de feiten niet te betwisten of in voorkomend geval na de mondelinge verdediging van de zaak door de overtreder of zijn raadsman, kan de ambtenaar de door de politieverordening voorziene administratieve geldboete opleggen.
[Deze beslissing wordt bij aangetekend schrijven ter kennis gebracht aan de overtreder en in het geval van een minderjarige overtreder, aan de minderjarige, evenals aan zijn vader en moeder, zijn voogden of de personen die het gezag over hem uitoefenen.
De vader en de moeder, de voogden of de personen die het gezag over de minderjarige uitoefenen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor het betalen van de geldboete.
De beslissing bedoeld in het tweede lid dient binnen een termijn van zes maanden ter kennis te worden gebracht aan de betrokkenen. Deze termijn gaat in op de dag van de ontvangst van het afschrift van het proces-verbaal of van de ontvangst van de vaststelling door de personen zoals bedoeld in par. 6, tweede lid.
De ambtenaar kan geen administratieve geldboete meer opleggen na het verstrijken van deze termijn. Hij kan een afschrift van het proces-verbaal of van de vaststellingen van de personen bedoeld in par. 6, tweede lid, en een afschrift van zijn beslissing overzenden aan elke belanghebbende partij die voorafgaandelijk hiertoe een schriftelijk en gemotiveerd verzoek richt aan hem (W. 20.7.2005, B.S. 29.7.2005)].
Par. 11. - De beslissing tot het opleggen van een administratieve geldboete heeft uitvoerbare kracht na het verstrijken van een termijn van één maand vanaf haar kennisgeving, behoudens wanneer hoger beroep wordt aangetekend overeenkomstig par. 12.
Par. 12. - [De gemeente, in geval van beslissing tot het niet-opleggen van een administratieve geldboete genomen door een aangewezen provincieambtenaar, of de overtreder kan binnen een termijn van een maand vanaf de kennisgeving van de beslissing bij verzoekschrift een beroep instellen bij de politierechtbank volgens de burgerlijke procedure.
Indien de beslissing evenwel betrekking heeft op minderjarigen die de volle leeftijd van zestien jaar hebben bereikt op het tijdstip van de feiten, wordt hoger beroep ingesteld bij kosteloos verzoekschrift bij de jeugdrechtbank. In dit geval kan het hoger beroep ook worden ingesteld door de vader en de moeder, zijn voogden of de personen die het gezag over hem uitoefenen. De jeugdrechtbank blijft bevoegd indien de overtreder meerderjarig is op het moment dat de rechtbank zich uitspreekt.
De politierechtbank of de jeugdrechtbank doet, in het kader van een openbaar debat met uiteenzetting door alle partijen, uitspraak over het beroep dat werd ingesteld tegen de administratieve sancties als bedoeld in par. 2, tweede lid, 1°. Zij oordeelt over de wettigheid en de proportionaliteit van de opgelegde geldboete (W. 20.7.2005, B.S. 29.7.2005)].
[Hij kan de beslissing van de ambtenaar hetzij bevestigen, hetzij herzien.
Wanneer een beroep tegen een administratieve sanctie aanhangig wordt gemaakt bij de jeugdrechtbank, kan deze de sanctie vervangen door een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding zoals die wordt bepaald in art. 37 van [de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade (W. 15.5.2006, B.S. 2.6.2006)]. [In dit geval is art. 60 van [de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade (W. 15.5.2006, B.S. 2.6.2006)] van toepassing (W. 20.7.2005, B.S. 29.7.2005)]
[Geen hoger beroep staat open tegen de beslissing van de politierechtbank of van de jeugdrechtbank.
Wanneer echter de jeugdrechtbank beslist om de administratieve sanctie te vervangen door een maatregel van bewaring, behoeding of opvoeding bedoeld in art. 37 van [de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade (W. 15.5.2006, B.S. 2.6.2006)], staat er wel hoger beroep open. In dit geval wordt er gehandeld volgens de procedures van [de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade (W. 15.5.2006, B.S. 2.6.2006)] die gelden voor de als misdrijf omschreven feiten (W. 20.7.2005, B.S. 29.7.2005)].
Onverminderd de voorgaande leden en [de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade (W. 15.5.2006, B.S. 2.6.2006)], zijn de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek toepasselijk op het beroep bij de politierechtbank en de jeugdrechtbank (W. 7.5.2004, B.S. 25.6.2004)]
Par. 13. - De Koning regelt bij een in ministerraad overlegd besluit de procedure tot aanwijzing door de gemeente van de ambtenaar gelast met het opleggen van de administratieve geldboete, alsmede de wijze van inning van de administratieve geldboete.
De administratieve geldboeten worden geïnd ten bate van de gemeente (W. 13.5.1999, B.S. 10.6.1999)].
[
Art. 119ter. (W. 17.6.2004, B.S. 23.7.2004)] – [De gemeenteraad kan in een bemiddelingsprocedure voorzien in het kader van de door artikel 119bis toegekende bevoegdheden. Deze is verplicht indien zij betrekking heeft op minderjarigen die de volle leeftijd van 16 jaar hebben bereikt op het tijdstip van de feiten.
De bemiddeling, bedoeld in het eerste lid, heeft uitsluitend tot doel de dader van de inbreuk de mogelijkheid te bieden de schade die hij heeft aangebracht, te vergoeden of te herstellen].
[
Art. 120 (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)]. - [
Par. 1. - De gemeenteraad kan in zijn midden commissies oprichten die als taak hebben de besprekingen in de gemeenteraadszittingen voor te bereiden. [De commissies kunnen, ook op eigen initiatief, adviezen uitbrengen en aanbevelingen formuleren ten behoeve van de gemeenteraad met betrekking tot de zaken waarmee zij zich bezighouden (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].
De mandaten van lid van iedere commissie worden evenredig verdeeld over de fracties waaruit de gemeenteraad is samengesteld; geacht worden een fractie te vormen de gemeenteraadsleden die op een zelfde lijst verkozen zijn of die verkozen zijn op lijsten die onderling verenigd zijn om een fractie te vormen; het reglement van orde, bedoeld in art. 91, bepaalt de nadere regelen voor de samenstelling [(…) (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)] van de commissies.
De commissies kunnen steeds deskundigen en belanghebbenden horen.
[Elke commissie stelt haar huishoudelijk reglement vast. Het huishoudelijk reglement bepaalt onder meer de wijze van oproeping en van toewijzing van het voorzitterschap van de commissie (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].
Par. 2. - De gemeenteraad benoemt de leden van alle commissies die verband houden met het bestuur van de gemeente, alsmede de vertegenwoordigers van de gemeenteraad in de intercommunales en in de andere rechtspersonen waarvan de gemeente lid is. Hij kan die mandaten intrekken (W. 11.7.1994, B.S. 20.12.1994)].
[
Art. 120bis. - [De gemeenteraad kan adviesraden instellen. Met « adviesraden » wordt bedoeld « elke vergadering van personen, ongeacht hun leeftijd, die er door de gemeenteraad wordt mee belast een advies te formuleren over een of meer vraagstukken » (W. 10.2.2000, B.S. 29.3.2000)].
Wanneer de gemeenteraad adviesraden instelt, regelt hij de samenstelling ervan naar gelang van hun taken en bepaalt hij de gevallen waarin raadpleging van die adviesraden verplicht is.
[Ten hoogste twee derde van de leden van een adviesraad is van hetzelfde geslacht.
Wanneer niet wordt voldaan aan de voorwaarde gesteld in het vorige lid, kan de betrokken adviesraad niet op rechtsgeldige wijze advies uitbrengen.
De gemeenteraad kan op gemotiveerd verzoek van de adviesraad afwijkingen toestaan, hetzij om functionele redenen of redenen die verband houden met de bijzondere aard van deze raad, hetzij wanneer onmogelijk kan worden voldaan aan de voorwaarde gesteld in het tweede lid. De gemeenteraad bepaalt de voorwaarden waaraan dit verzoek moet voldoen en stelt de procedure vast.
Wanneer op basis van het vorige lid geen afwijking wordt toegestaan, heeft de adviesraad vanaf de datum van weigering van de afwijking, drie maanden de tijd om te voldoen aan de voorwaarde gesteld in het tweede lid. Indien de adviesraad bij het verstrijken van deze periode niet voldoet aan de voorwaarde gesteld in het tweede lid, kan de adviesraad vanaf deze datum niet op rechtsgeldige wijze advies uitbrengen.
Het college van burgemeester en schepenen dient telkens binnen het jaar na de nieuwe aanstelling van de gemeenteraad een evaluatieverslag voor te leggen aan de gemeenteraad.
Voor de adviesraden die opgericht zijn voor de inwerkingtreding van deze wet, past de gemeenteraad bij de eerstvolgende vernieuwing van de mandaten de samenstelling aan overeenkomstig de bepaling van het derde lid. Uiterlijk tegen 31 december 2001 dienen alle adviesraden deze bepaling toe te passen (W. 20.9.98, B.S. 28.10.98)].
Hij stelt hun de middelen ter beschikking die nodig zijn voor het vervullen van hun taak
(W. 11.7.1994, B.S. 20.12.1994)].
[
Art. 121 (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)]. - Door de gemeenteraden kunnen verordeningen tot aanvulling van de wet van 21 augustus 1948 tot afschaffing van de officiële reglementering van de prostitutie worden vastgesteld, indien zij tot doel hebben de openbare zedelijkheid en de openbare rust te verzekeren.
De door die verordeningen bepaalde misdrijven worden met politiestraffen gestraft.
[
Art. 122 (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)]. - De gemeenteraad heeft, onder toezicht van de hogere overheid, het beheer over de bossen en wouden van de gemeente op de wijze geregeld door de overheid die bevoegd is om het Boswetboek vast te stellen.
Hoofdstuk II. - Bevoegdheden van het college van burgemeester en schepenen
[
Art. 123 (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)]. - Het college van burgemeester en schepenen is belast met:
[1° de uitvoering van de wetten, van de decreten, de ordonnanties, de reglementen en de besluiten van de Staat, de Gewesten, de Gemeenschappen, de Gemeenschapscommissies, de provincieraad en de bestendige deputatie van de provincieraad, wanneer zulks bepaaldelijk aan het college is opgedragen (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)];
2° de bekendmaking en uitvoering van de gemeenteraadsbesluiten;
3° het beheer van de gemeentelijke inrichtingen;
4° het beheer van de inkomsten, de afgifte van bevelschriften tot betaling van de uitgaven der gemeente en het toezicht op de boekhouding;
5° de leiding van de gemeentewerken;
6° de vaststelling van de rooilijnen van de wegen, met inachtneming van de algemene plans aangenomen door de hogere overheid, indien dergelijke plans bestaan, en behoudens beroep bij deze overheid en, in voorkomend geval, bij de rechtbanken door de personen die zich door de besluiten van de gemeenteoverheid benadeeld achten;
7° [de afgifte van de stedenbouwkundige attesten en van de bouw- en verkavelingsvergunningen, overeenkomstig de ordonnantie van 29 augustus 1991 houdende organisatie van de planning en de stedenbouw, en de afgifte van de milieuvergunningen, overeenkomstig de ordonnantie van 5 juni 1997 betreffende de milieuvergunningen (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)];
8° het voeren van de rechtsgedingen waarbij de gemeente hetzij als eiser, hetzij als verweerder betrokken is;
9° het beheer van de eigendommen der gemeente, alsmede de vrijwaring van haar rechten;
10° het toezicht op de door de gemeente bezoldigde beambten, behalve op de leden van het [lokale (W. 19.4.1999, B.S. 13.5.1999)] politiekorps;
11° het doen onderhouden van de buurtwegen en de waterlopen, overeenkomstig de wetsbepalingen en de verordeningen van de provincieoverheid.
[12° het opleggen van de in art. 119bis, par. 2, bedoelde schorsing, intrekking of sluiting (W. 13.5.1999, B.S. 10.6.1999)].
[
Art. 124. - (…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].
[
Art. 125 (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)]. - Het college van burgemeester en schepenen is belast met het houden van de registers van de burgerlijke stand.
De burgemeester, of een schepen daartoe aangewezen door het college, vervult de bediening van ambtenaar van de burgerlijke stand en is er inzonderheid mee belast om alles wat de akten en het houden van de registers betreft, stipt te doen nakomen.
Is de gemachtigde ambtenaar van de burgerlijke stand verhinderd, dan wordt hij tijdelijk vervangen door de burgemeester, of door een schepen of een raadslid in de volgorde van de onderscheiden benoemingen.
[
Art. 126 (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)]. - De burgemeester en de ambtenaar van de burgerlijke stand kunnen ieder wat hem betreft, beambten van het gemeentebestuur machtigen tot:
1° het afgeven van uittreksels uit of afschriften van andere akten dan die van de burgerlijke stand;
2° het afgeven van uittreksels uit de bevolkingsregisters en van getuigschriften die geheel of ten dele aan de hand van die registers zijn opgemaakt;
3° het legaliseren van handtekeningen;
4° het voor eensluidend verklaren van afschriften van stukken.
Die bevoegdheid geldt voor de stukken bestemd om in België of in het buitenland te dienen, met uitzondering van diegene die moeten gelegaliseerd worden door de Minister van Buitenlandse Betrekkingen of door de ambtenaar die hij daartoe machtigt.
Boven de handtekening van de beambten van het gemeentebestuur, aan wie de machtiging bedoeld bij dit artikel of bij art. 45 van het Burgerlijk Wetboek is verleend, moet van die machtiging melding worden gemaakt.
De ambtenaar van de burgerlijke stand kan eveneens beambten van het gemeentebestuur machtigen tot het ontvangen van betekeningen, kennisgevingen en terhandstellingen van beslissingen inzake de staat van personen.
[
Art. 127 (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)]. - Voor het houden van de akten van de burgerlijke stand kan de Koning, wanneer uitzonderlijke omstandigheden dit wettigen en na het advies van de bestendige deputatie van de provincieraad te hebben ingewonnen, het grondgebied van de gemeente verdelen in districten, waarvan Hij de grenzen bepaalt.
In elk district worden de akten van de burgerlijke stand opgemaakt en de registers bewaard in een speciaal daartoe bestemd lokaal.
[Daar waar toepassing is gemaakt van de inrichting van binnengemeentelijke territoriale organen overeenkomstig artikel 41 van de Grondwet, vallen de districten van de burgerlijke stand daarmee automatisch samen (W. 19.3.1999, B.S. 31.3.1999)].
De jaarlijkse en tienjaarlijkse tabellen worden voor elk district afzonderlijk opgemaakt en in afschrift meegedeeld aan elk van de andere districten.
Wordt de bediening van de ambtenaar van de burgerlijke stand niet door de burgemeester uitgeoefend, dan kan het college van burgemeester en schepenen daartoe, in afwijking van art. 125, een of meer schepenen aanwijzen, die elk voor een of meer districten bevoegd zullen zijn.
[
Art. 128 (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)]. - Het college van burgemeester en schepenen houdt toezicht op de bergen van barmhartigheid.
Te dien einde inspecteert het college die instellingen telkens als het zulks geraden acht; het waakt ervoor dat zij niet afwijken van de wil der schenkers en erflaters en doet verslag aan de gemeenteraad over aan te brengen verbeteringen en over gebleken misbruiken.
[
Art. 129 (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)]. - Het college van burgemeester en schepenen draagt zorg voor het voorkomen en verhelpen van hinderlijke voorvallen waartoe in vrijheid gelaten zinnelozen en razenden aanleiding zouden kunnen geven.
[(...) (K.B. 25.1.1991, B.S. 5.3.1991)].
[
Art. 130 ( W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)]. - De politie over de vertoningen behoort aan het college van burgemeester en schepenen; het kan in buitengewone omstandigheden elke vertoning verbieden ten einde de openbare rust te handhaven.
Dit college voert de verordeningen van de gemeenteraad uit voor alles wat de vertoningen betreft. De raad waakt tegen het geven van vertoningen die strijdig zijn met de openbare orde.
[
Art. 130bis. - Het college van burgemeester en schepenen is bevoegd voor de tijdelijke politieverordeningen op het wegverkeer (W. 12.1.2006, B.S. 31.1.2007; B.S. 2.2.2007, err.)].
[
Art. 131 (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)]. - [
Par. 1. - Ten minste eenmaal in de loop van elk van de vier kwartalen van het kalenderjaar doet het college van burgemeester en schepenen of een van zijn leden die het daartoe aanwijst, verificatie van de kas van de plaatselijke ontvanger en maakt van de verificatie een proces-verbaal op waarin zijn opmerkingen alsmede die van de ontvanger worden vermeld. Het proces-verbaal wordt getekend door de ontvanger en de leden van het college die verificatie gedaan hebben.
Het college van burgemeester en schepenen legt het proces-verbaal aan de gemeenteraad voor.
Wanneer de plaatselijke ontvanger aansprakelijk is voor meerdere openbare kassen, wordt daarvan tegelijkertijd verificatie gedaan [(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].
Par. 2. - De plaatselijke ontvanger brengt het college van burgemeester en schepenen zonder verwijl op de hoogte van elk tekort dat toe te schrijven is aan diefstal of verlies.
Er wordt zonder verwijl overgegaan tot verificatie van de kas, overeenkomstig par. 1, teneinde het bedrag van het tekort vast te stellen.
Aan het proces-verbaal van verificatie wordt toegevoegd een toelichting op de omstandigheden en de bewarende maatregelen die de ontvanger heeft genomen.
Par. 3. - Wijst verificatie uit dat er een kastekort is, onder meer als gevolg van het afwijzen van bepaalde uitgaven op definitief afgesloten rekeningen, dan verzoekt het college van burgemeester en schepenen de ontvanger, bij een ter post aangetekende brief, een gelijkwaardig bedrag in de gemeentekas te storten.
In het in par. 2 bedoelde geval moet aan dat verzoek een beslissing van de gemeenteraad voorafgaan waarin wordt vastgesteld of en in hoeverre de ontvanger voor de diefstal of het verlies aansprakelijk gesteld moet worden en waarin het bedrag van het daaruit volgende tekort wordt bepaald dat hij moet vereffenen; bij het verzoek om te betalen wordt een afschrift van de beslissing gevoegd.
Par. 4. - Binnen zestig dagen na die kennisgeving kan de ontvanger beroep instellen bij [het rechtscollege (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)]. Het beroep schorst de tenuitvoerlegging.
[Het rechtscollege doet uitspraak (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] over de aansprakelijkheid van de ontvanger en bepaalt het bedrag van het tekort dat dientengevolge te zijnen laste wordt gelegd; de Koning regelt de procedure met inachtneming van de beginselen neergelegd in art. 104bis van de provinciewet.
De ontvanger wordt van elke aansprakelijkheid ontheven wanneer het tekort ontstaan is door het afwijzen van uitgaven op definitief afgesloten rekeningen indien hij die vereffend heeft overeenkomstig art. 136, 1e lid.
Indien het tekort toe te schrijven is aan het definitief afwijzen van bepaalde uitgaven, kan de ontvanger de leden van het college van burgemeester en schepenen die op onregelmatige wijze deze uitgaven gedaan of bevolen hebben, ter verantwoording roepen teneinde de beslissing voor hen bindend en tegenstelbaar te laten verklaren; in dat geval doet [het rechtscollege (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] ook uitspraak over de aansprakelijkheid van de ter verantwoording geroepen personen.
De beslissing van [het rechtscollege (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] wordt hoe dan ook eerst ten uitvoer gelegd na het verstrijken van de termijn bedoeld in art. 4, 3e lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State; indien de ontvanger op dat ogenblik niet tot vrijwillige uitvoering is overgegaan, wordt de beslissing ten uitvoer gelegd op de zekerheid en, voor het eventueel resterend gedeelte, op de persoonlijke goederen van de ontvanger, op voorwaarde evenwel dat tegen de beslissing geen beroep is ingesteld, zoals bedoeld in art. 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.
Wanneer de ontvanger geen beroep instelt bij [het rechtscollege (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)] en bij het verstrijken van de daartoe vastgestelde termijn niet heeft voldaan aan het verzoek om te betalen, wordt op dezelfde wijze overgegaan tot de tenuitvoerlegging bij dwangbevel (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)].
[
Art. 132 (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)]. - Het college van burgemeester en schepenen zorgt voor de bewaring van het archief, van de titels en van de registers van de burgerlijke stand; het maakt daarvan, alsmede van de charters en andere oude bescheiden der gemeente, inventarissen op in tweevoud en belet dat enig stuk verkocht of uit de bewaarplaats weggenomen wordt.
[(...) (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].
Hoofdstuk III. - Bevoegdheden van de burgemeester
[
Art. 133 (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)]. - [De burgemeester is belast met de uitvoering van de wetten, de decreten, de ordonnanties, de verordeningen en de besluiten van de Staat, de Gewesten, de Gemeenschappen, de Gemeenschapscommissies, de provincieraad en de bestendige deputatie van de provincieraad, tenzij zulks uitdrukkelijk aan het college van burgemeester en schepenen of aan de gemeenteraad is opgedragen.
Hij is in het bijzonder belast met de uitvoering van de politiewetten, politiedecreten, de politieordonnanties, de politieverordeningen en de politiebesluiten. Hij kan echter onder zijn verantwoordelijkheid zijn bevoegdheid geheel of ten dele overdragen aan een van de schepenen (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].
[(...) (W. 15.7.1992, B.S. 22.12.1992)].
[Onverminderd de bevoegdheden van de Minister van Binnenlandse Zaken, van de gouverneur en van de bevoegde gemeentelijke instellingen, is de burgemeester de verantwoordelijke overheid inzake de bestuurlijke politie op het grondgebied van de gemeente (W. 3.4.1997, B.S. 6.6.1997)].
[
Art. 133bis. - Zonder op enige wijze afbreuk te kunnen doen aan de aan de burgemeester toegekende bevoegdheden, heeft de gemeenteraad het recht geïnformeerd te worden door de burgemeester over de wijze waarop deze de bevoegdheden uitoefent die hem zijn verleend krachtens [art. 133, tweede en derde lid, en de art. 42, 43 en 45 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politidienst, gestructureerd op twee niveaus. In de ééngemeentezone wordt dit recht uitgebreid tot de bevoegdheden die de burgemeester zon verleend krachtens art. 45 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus. (W. 7.12.1998, B.S. 5.1.1999)].
[(…) (W. 7.12.1998, B.S. 5.1.1999)].
[
Art. 134 (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)]. -
Par. 1. - In geval van oproer, kwaadwillige samenscholing, ernstige stoornis van de openbare rust of andere onvoorziene gebeurtenissen, waarbij het geringste uitstel gevaar of schade zou kunnen opleveren voor de inwoners, kan de burgemeester politieverordeningen maken, onder verplichting om daarvan onverwijld aan de gemeenteraad kennis te geven, [(…) met opgave van de redenen waarom hij heeft gemeend zich niet tot de raad te moeten wenden (…) (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)]. Die verordeningen vervallen dadelijk, indien zij door de raad in de eerstvolgende vergadering niet worden bekrachtigd.
[
Par. 2. - Voor de gemeenten van het Duitse taalgebied, de gemeenten genoemd in art. 7 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, en de gemeenten Komen-Waasten en Voeren geeft de burgemeester de provinciegouverneur onmiddellijk kennis van de in par. 1 bedoelde verordeningen, met opgave van de redenen waarom hij heeft gemeend zich niet tot de raad te moeten wenden.
De gouverneur kan de uitvoering ervan schorsen (K.B. 30.5.1989, B.S. 31.5.1989)].
[
Art. 134bis. - Op gemotiveerd verzoek van de voorzitter van de raad voor maatschappelijk welzijn beschikt de burgemeester, vanaf de aanmaning van de eigenaar, over het recht om elk gebouw, dat sedert meer dan zes maanden verlaten is, op te eisen ten einde het ter beschikking te stellen van dakloze personen. Het opeisingsrecht kan slechts uitgeoefend worden binnen een termijn van zes maand te rekenen vanaf de dag waarop de burgemeester de eigenaar op de hoogte heeft gesteld, en mits een billijke vergoeding.
De Koning bepaalt, bij in Ministerraad overlegd besluit, de grenzen, de voorwaarden en de modaliteiten, volgens dewelke het opeisingsrecht kan uitgeoefend worden. Dit besluit bepaalt ook de procedure, de gebruiksduur, de modaliteiten inzake het op de hoogte stellen van de eigenaar en de mogelijkheden van laatstgenoemde tot verzet tegen de opeising, alsook de berekeningswijze inzake de vergoedingen (W. 12.1.1993, B.S. 4.2.1993)].
[
Art. 134ter. - Behoudens wanneer de bevoegdheid om in geval van hoogdringendheid een voorlopige sluiting van een instelling of de tijdelijke schorsing van een vergunning uit te spreken door een bijzondere regelgeving is toevertrouwd aan een andere overheid, kan de burgemeester wanneer elke verdere vertraging een ernstig nadeel zou kunnen berokkenen, die maatregelen nemen wanneer de voorwaarden van de uitbating van de instelling of van de vergunning niet worden nageleefd en nadat de overtreder de mogelijkheid werd geboden zijn verweermiddelen naar voren te brengen.
Die maatregelen vervallen dadelijk indien zij door het college van burgemeester en schepenen in de eerstvolgende vergadering niet worden bekrachtigd.
Zowel de sluiting als de schorsing kunnen een termijn van drie maanden niet overschrijden. Na verloop van deze termijn wordt de beslissing van de burgemeester van rechtswege geheven (W. 13.5.1999, B.S. 10.6.1999)].
[
Art. 134quater. - Indien de openbare orde rond een voor het publiek toegankelijke inrichting wordt verstoord door gedragingen in die inrichting, kan de burgemeester besluiten deze te sluiten, voor de duur die hij bepaalt.
Die maatregelen zullen onmiddellijk ophouden uitwerking te hebben indien ze niet tijdens de eerstvolgende vergadering van het college van burgemeester en schepenen worden bevestigd.
De sluiting mag een termijn van drie maanden niet overschrijden. De beslissing van de burgemeester wordt opgeheven bij het verstrijken van die termijn (W. 13.5.1999, B.S. 10.6.1999)].
[Hoofdstuk IV. - Bevoegdheden van de gemeenten in 't algemeen
(W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)]
[
Art. 135. -
Par. 1. - Tot de bevoegdheden van de gemeenten behoren inzonderheid : het beheer van de goederen en inkomsten van de gemeente; de vaststelling en de verrichting van de plaatselijke uitgaven die met de gelden van de gemeente dienen te worden betaald; het ontwerpen en het doen uitvoeren van de openbare werken die ten laste van de gemeente vallen; het beheer van de inrichtingen die aan de gemeente toebehoren, die op haar kosten worden onderhouden of die in het bijzonder bestemd zijn voor het gebruik van haar inwoners.
Par. 2. - De gemeenten hebben ook tot taak het voorzien, ten behoeve van de inwoners, in een goede politie, met name over de zindelijkheid, de gezondheid, de veiligheid en de rust op openbare wegen en plaatsen en in openbare gebouwen.
Meer bepaald, en voor zover de aangelegenheid niet buiten de bevoegdheid van de gemeenten is gehouden, worden de volgende zaken van politie aan de waakzaamheid en het gezag van de gemeenten toevertrouwd:
1° alles wat verband houdt met een veilig en vlot verkeer op openbare wegen, straten, kaden en pleinen, hetgeen omvat de reiniging, de verlichting, de opruiming van hindernissen, het slopen of herstellen van bouwvallige gebouwen, het verbod om aan ramen of andere delen van gebouwen enig voorwerp te plaatsen dat door zijn val schade kan berokkenen, of om wat dan ook te werpen dat voorbijgangers verwondingen of schade kan toebrengen of dat schadelijke uitwasemingen kan veroorzaken; voor zover de politie over het wegverkeer betrekking heeft op blijvende of periodieke toestanden, valt zij niet onder de toepassing van dit artikel;
2° het tegengaan van inbreuken op de openbare rust, zoals vechtpartijen en twisten met volksoploop op straat, tumult verwekt in plaatsen van openbare vergadering, nachtgerucht en nachtelijke samenscholingen die de rust van de inwoners verstoren;
3° het handhaven van de orde op plaatsen waar veel mensen samenkomen, zoals op jaarmarkten en markten, bij openbare vermakelijkheden en plechtigheden, vertoningen en spelen, in drank¬gelegenheden, kerken en andere openbare plaatsen;
4° het toezicht op een juiste toemeting bij het slijten van waren (waarvoor meeteenheden of meetwerktuigen gebruikt worden) en op de hygiëne van openbaar te koop gestelde eetwaren;
5° het nemen van passende maatregelen om rampen en plagen, zoals brand, epidemieën en epizoötieën te voorkomen en het verstrekken van de nodige hulp om ze te doen ophouden;
6° het verhelpen van hinderlijke voorvallen waartoe rondzwervende kwaadaardige of woeste dieren aanleiding kunnen geven (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)].
[7° het nemen van de nodige maatregelen, inclusief politieverordeningen, voor het tegengaan van alle vormen van openbare overlast (W. 13.5.1999, B.S. 10.6.1999)].
[
Par. 3. - De gemeenten zijn ertoe gehouden hun inwoners een bestuur te bieden met een aangepaste toegangswijze en beschikbaarheid door meer uitgebreide openingsuren, minstens één dag per week, en door een dienstverlening via het internet (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].
[Hoofdstuk V (W. 27.5.1989, B.S. 30.5.1989)]. - De ontvanger
Afdeling 1. - Bepalingen die voor alle ontvangers gelden
Art. 136. - [
Par. 1. - De gemeenteontvanger wordt alleen en onder zijn verantwoordelijkheid belast met :
1°het houden van de boekhouding van de gemeente en het opstellen van de jaarrekeningen;
2° de invordering van de ontvangsten van de gemeente;
3° het innen van de regelmatige schuldvorderingen;
4° de heffing, in voorkomend geval door een gedwongen tenuitvoerlegging, van de gemeentebelastingen, met toepassing van de wet van 24 december 1996 betreffende de vestiging en de invordering van de provincie- en gemeentebelastingen;
5° het beheer van de rekeningen geopend namens de gemeente en van de algemene kasmiddelen van de gemeente;
6° het beleggen op korte termijn van de thesauriemiddelen;
7° de centralisatie van de vastleggingen;
8° de betaling van de uitgaven tegen regelmatige bevelschriften (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].
Indien de ontvanger weigert het bedrag van regelmatige bevelschriften te betalen of zulks uitstelt, wordt de betaling vervolgd, zoals inzake directe belastingen, door de rijksontvanger, nadat de bestendige deputatie van de provincieraad, die de ontvanger oproept en hem vooraf hoort indien hij zich aanmeldt, de bevelschriften uitvoerbaar heeft verklaard (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)].
[
Par. 2. - Onverminderd de bevoegdheid van de gemeentesecretaris met betrekking tot het intern controlesysteem, zoals bedoeld in titel VIbis, kan het college aan de gemeenteontvanger om het even welke andere opdracht toevertrouwen die verband houdt met zijn bevoegdheden, onder meer inzake financieel beheer. In het kader van deze opdrachten staat de ontvanger onder het gezag van het college (Ord. 5.3.2009, B.S. 13.3.2009)].
[
Art. 136bis. - De ontvanger kan door het college van burgemeester en schepenen gehoord worden over al de aangelegenheden die een financiële of budgettaire weerslag hebben (W. 15.12.1993, B.S. 11.1.1994)].
Art. 137. - [Op verzoek van de ontvanger van een gemeente moet de invordering van de aan deze gemeente verschuldigde belastingen tegen de belastingplichtigen, die hun woonplaats hebben in de andere gemeente, vervolgd worden door de ontvanger van deze laatste.
De door de vervolgende gemeente veroorzaakte kosten, die niet geïnd werden ten laste van de belastingplichtige, worden door de aanvragende gemeente ten laste genomen (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)].
Art. 138. - [
Par. 1. - De ontvanger is niet aansprakelijk voor de ontvangsten die de gemeenteraad doet invorderen door bijzondere agenten; die bijzondere agenten zijn aansprakelijk voor de ontvangsten waarvan de invordering hun wordt opgedragen; wat de invordering van die ontvangsten betreft, gelden voor hen dezelfde verplichtingen als voor de ontvanger.
De gemeenteraad kan eisen dat zij een zekerheid stellen, waarvan het bedrag en de aard door de raad bepaald wordt; dezelfde beslissing vermeldt de termijn waarover zij beschikken om dit te doen; de art. 56, 2e lid, 58, 59 en 62 tot 64 zijn van overeenkomstige toepassing.
Op het stuk van de eed, de vervanging, het opmaken van de eindrekening en het beroep ingesteld bij de bestendige deputatie van de provincieraad gelden voor de bijzondere agenten dezelfde regels als voor de plaatselijke ontvangers; de art. 53, par. 2 en 4, en 138bis zijn van overeenkomstige toepassing op hen.
Op de gelden die zij beheren, mogen zij geen uitgaven doen.
De geïnde ontvangsten worden op gezette tijden, en ten minste iedere veertien dagen, aan de ontvanger van de gemeente gestort; de laatste storting van het dienstjaar moet geschieden de laatste werkdag van de maand december.
Bij elke storting zendt de bijzondere agent aan de gemeenteontvanger de gedetailleerde lijst over van de budgettaire aanrekeningen, van de gestorte bedragen en van de desbetreffende belasting¬plichtigen.
De rekeningen van de bijzondere agent met de verantwoordingsstukken worden voor verificatie en visering voorgelegd aan het college van burgemeester en schepenen.
Vervolgens worden ze samen met alle verantwoordingsstukken aan de gemeenteontvanger overgezonden en bij de begrotingsrekening gevoegd.
Art. 131, par. 2, 1e lid, is, mutatis mutandis, van toepassing op de bijzondere agent; wanneer het college van burgemeester en schepenen een tekort vaststelt, wordt, mutatis mutandis, gehandeld overeenkomstig art. 131, par. 3, en par. 4, 1e, 2e, 5e en 6e lid.
Par. 2. - Het college van burgemeester en schepenen kan op eigen verantwoordelijkheid bepaalde gemeenteambtenaren belasten met de inning van ontvangsten in geld op het ogenblik waarop het recht op ontvangst vastgesteld wordt, voor zover de inning verenigbaar is met hun ambt.
Deze ambtenaren hebben niet dezelfde verplichtingen als de bijzondere agenten bedoeld in par. 1.
Zij storten dagelijks of op geregelde tijdstippen het totale van hun inningen aan de gemeente¬ontvanger, volgens diens onderrichtingen, en verantwoorden die bedragen door een nauwkeurige invorderingsstaat per begrotingsartikel. (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)].
[
Art. 138bis. -
Par. 1. - Er wordt een eindrekening gemaakt wanneer de ontvanger of de bijzondere agent, bedoeld in art. 138, par. 1, zijn ambt neerlegt, alsmede in de gevallen bedoeld in de art. 53, par. 4, 5e lid, en 54bis, par. 2, 2e lid.
Par. 2. - Het college van burgemeester en schepenen legt de eindrekening van de plaatselijke ontvanger of de bijzondere agent, in voorkomend geval samen met diens opmerkingen of, zo hij overleden is, die van zijn rechtverkrijgenden, voor aan de gemeenteraad die de eindrekening afsluit en de rekenplichtige kwijting verleent of een tekort vaststelt.
De beslissing waarmee de eindrekening wordt afgesloten, wordt door het college van burgemeester en schepenen bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de rekenplichtige of, zo hij overleden is, aan zijn rechtverkrijgenden; in voorkomend geval wordt daarbij een verzoek gevoegd om het tekort te vereffenen.
Par. 3. - [(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].
Par. 4. - De beslissing waarbij de eindrekening wordt afgesloten en aan de rekenplichtige kwijting wordt verleend, brengt van rechtswege de teruggave van de zekerheid mee.
Par. 5. - Art. 131, par. 4, is mede van toepassing wanneer de rekenplichtige verzocht wordt een tekort te vereffenen (W. 17.10.1990, B.S. 14.12.1990)].
Art. 139 . – [In afwijking van de bepalingen van art. 136, 1e lid, mogen [rechtstreeks gestort worden op de rekeningen geopend namens de gerechtigde gemeenten bij financiële instellingen die voldoen, naargelang van het geval, aan de voorschriften van de art. 7, 65 en 66 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen (W. 4.5.1999, B.S. 12.6.1999)]:.
1° het bedrag van hun aandeel in de bij de wet, het decreet of de ordonnantie ten voordele van de gemeenten ingestelde fondsen, alsmede in de opbrengst van de rijksbelastingen;
2° de opbrengst van de gemeentebelastingen die door de rijksdiensten worden geïnd;
3° de toelagen, de bijdragen in de uitgaven van de gemeenten en in het algemeen alle sommen die de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten en de provincies om niet verlenen aan de gemeenten.
[De in het eerste lid bedoelde financiële instellingen worden gerechtigd om het bedrag van de opeisbare schulden, door de gemeente tegenover hen aangegaan ambtshalve in mindering te brengen van het tegoed van de rekening(en) die zij ten behoeve van deze gemeenten hebben geopend (W. 4.5.1999, B.S. 12.6.1999)].
Afdeling 2. - Bepalingen betreffende de gewestelijke ontvanger
Art. 140. – [(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].
Art. 141. - [(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].
Art. 142. - [(…) (Ord. 17.7.2003, B.S. 7.10.2003)].